Onze leermeesters in de filosofie hielden ons als jonge studenten voor dat het lezen van de grote filosofen is als het staan op de schouders van reuzen. Vanaf die plek kunnen we veel verder kijken dan wanneer we op eigen benen staan. Zij vertelden er ons niet bij dat grote filosofen ook bijziend zijn en vaak niet over de vooroordelen van hun tijd heen kijken of er simpelweg kwaadaardige oordelen op nahouden. Het gaat hier over de dagen dat men het grote engagement van filosofen als Martin Heidegger en juristen als Carl Schmitt met het nationaal-socialisme nog niet onder ogen kon of wilde zien.

Sinds die tijd is er in de filosofie veel veranderd. In plaats van de grote filosofen te beschouwen als de vindplaats van eeuwige waarheden is er veel meer aandacht voor een contextuele en historische benadering van hun werk. En dat betekende ook de erkenning dat daarin allerlei oordelen besloten liggen die wij vandaag de dag niet onderschrijven. We kunnen misschien iets leren van Plato’s kritiek op de democratie, maar daarmee hoeven we het niet eens te zijn. We bewonderen Aristoteles’ inzicht in de menselijke natuur, maar niet zijn rechtvaardiging van slavernij. En: kunnen we van Immanuel Kant nog iets leren, nu we ons misschien beter dan voorheen realiseren dat volgens hem het ene mensengeslacht in vier verschillende rassen uiteenviel en dat hij daaraan ook een zekere hiërarchie verbond?

Vandaag de dag staat racisme volop in de belangstelling, niet alleen allerlei vormen van hedendaags racisme, maar ook de oorsprong van racisme. Tot voor kort werd dan vooral naar negentiende-eeuwse auteurs gekeken, zoals de politici Arthur de Gobineau en Joseph Chamberlain, en – niet te vergeten – de componist Richard Wagner wiens invloed groot was. Tegenwoordig meent men dat de wortels van racisme vroeger liggen, bij achttiende-eeuwse auteurs als David Hume en Immanuel Kant. En inderdaad treffen we bij hen de nodige aanstootgevende stellingen aan. De vraag hoe die beoordeeld moeten worden, is nog niet zo gemakkelijk te beantwoorden.

Wat Kant betreft is het belangrijk te weten dat hij over een veelheid van onderwerpen heeft gepubliceerd, niet alleen over klassiek filosofische problemen zoals de onsterfelijkheid van de ziel, God of de vrije wil. Hij beschouwde zichzelf immers ook als een geëngageerd wereldburger en hij probeerde zo veel mogelijk over die wereld te weten te komen. Met zijn brede belangstelling en brede belezenheid meende hij van veel markten thuis te zijn. Zo schreef hij bijvoorbeeld over de oorsprong van de kosmos, over de invloed van de maan op het weer, over geestesziekten, over aardbevingen en over opvoedkunde. Veel van wat Kant daar en elders beweert, is intussen door wetenschappelijke vooruitgang achterhaald, ook al wordt in de astrofysica nog steeds waarde gehecht aan zijn these over het ontstaan van de sterrenstelsels (die onder de naam van de Kant-Lapalce-these bekend staat).

Ook las en schreef hij over de volkenkundige bevindingen die in zijn tijd werden gedaan. In de reisliteratuur van zijn tijd werd uitvoerig bericht over de verschillende mensen en de verschillen tussen de mensen die de wereld bewonen. Bij zijn poging om die verschillen te classificeren achtte Kant het begrip ‘ras’ van groot belang. Hij meende dat er vier verschillende rassen moesten worden onderscheiden. Aan het begrip ‘ras’ houdt hij vast zowel in zijn vroege als in zijn late publicaties.

In zijn vroege antropologie uit 1764 bespreekt Kant de diverse morele houdingen en karakters die men binnen de wereldbevolking aantreft. Men vindt er beschouwingen over de verschillen tussen man en vrouw en tussen mensen uit verschillende windstreken. Volstrekt verwerpelijk is wat Kant daar zegt over ‘negers’. Schijnbaar zonder veel vraagtekens citeert hij de Schotse filosoof David Hume die stelt nog nooit een voorbeeld te hebben gevonden van een ‘neger’ die enig talent heeft, terwijl er onder het gepeupel van de witten toch altijd nog wel een paar zijn die zich weten te verheffen. Bovendien verkeert de vrouw in het land van de zwarten in de grootst mogelijke vorm van slavernij. Toch lijkt Europa voor Kant niet de maat der dingen te zijn. De vrouw staat bij de oorspronkelijke bewoners van Canada in een hoger aanzien dan bij ons, zegt hij. Voorts kent Europa zelf qua bevolking grote verschillen. Zo komen de Nederlanders er bij Kant niet erg goed van af. En waar Europeanen zich in verre buitenlanden manifesteren, doen zij dat vaak onder leiding van monniken die met het missaal in de ene en de oorlogsvlag in de andere hand aan het hoofd staan van legers die wandaden verrichten.

In drie latere korte teksten stelt Kant het begrip ‘ras’ expliciet aan de orde en dat komt telkens op het volgende neer. Volgens Kant valt het menselijk geslacht uiteen in vier (hoofd)soorten met de huidskleur als verreweg het belangrijkste onderscheidende kenmerk. Kant past dus het biologische onderscheid tussen geslachten en soorten toe op de mensheid. Dat de eenheid van de mensheid op deze manier uiteenvalt, is volgens Kant te danken aan de natuur die aan de mens capaciteiten heeft meegegeven om zich verschillend te ontwikkelen. Daarmee is hij in staat om zich aan te passen aan de verschillende klimatologische omstandigheden op deze wereld. Daarvan zijn er, meent men sinds de klassieke oudheid, vier hoofdtypen: vochtig en koud; droog en koud; vochtig en warm; droog en warm. Mensen behoren tot een en hetzelfde natuurlijk geslacht (species), omdat ze zich onderling kunnen voortplanten. Maar binnen die ene menselijke familie bevinden zich wel vier rassen van mensen (Kant noemt zwarten, witten, hunnen of kalmukken en hindoes). De huidskleur als karakteristieke eigenschap van het ras blijft bij de voortplanting behouden. Rassen zijn dus het gevolg van de capaciteit van de (menselijke) natuur om in verschillende klimaten te kunnen leven. Deze aanpassing van de mens aan het klimaat manifesteert zich vooral in de huid als het belangrijke orgaan van de perspiratie. Overigens, in de grote betekenis die Kant aan het klimaat toekent voor de ontwikkeling van de mens staat hij niet alleen. Velen in zijn tijd doen dat, zoals Montesquieu voor hem en Hegel na hem.

Uiteraard begaat Kant allerlei onjuistheden wanneer hij zich baseert op toenmalige, maar inmiddels achterhaalde bevindingen en theorieën. Een daarvan betreft het zogenaamde flogiston. Toentertijd werd aangenomen dat dit een onzichtbare substantie was, die te maken heeft met verbranding en die zich volgens Kant ook in bloed bevindt. Soms, met name in een vochtige en warme omgeving, is het voor de mens nodig om het overtollige flogiston kwijt te raken via de huid als aanvulling op de adem. De onaangename geur van zwarten, schrijft Kant, heeft dan ook niets te maken met een gebrek aan hygiëne, maar met dit biologisch ‘gegeven’. Dat zij in een overvloedige natuurlijke omgeving leven, zou hen bovendien tot van nature luie wezens maken. De zeer omvangrijke categorie van de witten waartoe Kant ook de Arabieren rekent, bevindt zich in een gebied met de meest gelukkige combinatie van vochtigheid en temperatuur. Daarom staan zij waarschijnlijk nog het dichtst bij het historisch oorspronkelijke geslacht.

Volgens Immanuel Kant zou de mensheid haar hoogste graad van volkomenheid vinden in het ras van de witten

Kant hecht zozeer aan het begrip ‘ras’ dat hij erover publiceert in een indertijd bekend en zeer progressief Berlijns maandblad, waarin hij eerder al het opstel Wat is verlichting? publiceerde. Hij verdedigt opnieuw dat er slechts één mensengeslacht is, maar dat dit uiteenvalt in vier rassen. Buiten de huidskleur als veruit het belangrijkste rassenkenmerk zouden er geen andere inherente raciale eigenschappen zijn die het ene ras onderscheiden van het andere. Omdat het het doel van de natuur zou zijn dat de gehele wereld door mensen bewoond wordt, spelen rassen een cruciale rol in de mensengeschiedenis.

Kants stelling dat er maar één mensengeslacht is, wordt door sommige tijdgenoten betwist. De eerdergenoemde Hume is er net als bijvoorbeeld Voltaire niet van overtuigd dat alle mensen dezelfde oorsprong hebben. Deze theorie van de zogenaamde polygenese wijst Kant expliciet af: er zijn geen verschillende mensengeslachten, maar enkel verschillende rassen. Volgens Kant is hier een ‘onomstotelijk bewijs’ voor: mensen van een onderling verschillend ‘ras’ kunnen zich voortplanten. De witten vormen dus geen aparte stam, maar slechts een ras. Kants monogenese vormt echter geen belemmering voor allerlei verwerpelijke opmerkingen. Zo zou de mensheid (toch) haar hoogste graad van volkomenheid vinden in het ras van de witten en zouden zwarten ‘slechts’ tot activiteit komen wanneer ze daartoe gedwongen worden. Daarom zouden zij op de laagste trede van de menselijke ontwikkeling staan. Daarmee rijst de vraag: als er inderdaad een laagste ras bestaat dat tot activiteit gedwongen moet worden, zou dan dwang in de vorm van slavernij volgens Kant gerechtvaardigd zijn? In een niet eenvoudig te duiden voetnoot uit 1788 citeert Kant een ‘kundig man’ die zich had uitgesproken tegen de wens van de Schotse, achttiende-eeuwse abolitionist Ramsay om de ‘negerslaven’ als vrije arbeiders te gebruiken. Moet dat als een impliciete instemming met slavernij gelezen worden?

Terecht is Kant zwaar onder vuur komen te liggen vanwege deze racistische opmerkingen. Dat heeft tot heftige debatten geleid. Heftig, omdat Kants ethiek telkens begrepen is als een pleidooi voor de morele gelijkheid van alle mensen, mannen en vrouwen, van alle kleuren. Heftig misschien ook, omdat Kant vaak wordt beschouwd als de aartsvader van de idee van de mensenrechten en van het begrip van de menselijke waardigheid dat na de Tweede Wereldoorlog een ware zegetocht heeft beleefd en zijn intrede heeft gedaan in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en in de Duitse naoorlogse grondwet. Bovendien speelden Kants racistische opmerkingen nauwelijks een rol in het racisme van het nationaal-socialisme. Het filosofische idool van de nazi’s was – hoe onterecht ook – Nietzsche, niet Kant. Daarom: wiens filosofie hoog klimt, diens filosofie kan diep vallen.

Volgens sommigen zijn de negatieve opmerkingen over met name het zwarte ras in de zeventiende en achttiende eeuw helemaal niet enkel vooroordelen van die tijd, maar maakten zij de weg vrij voor het moderne racisme. Zulke opmerkingen vindt men immers niet alleen bij Kant, maar ook zoals gezegd bij bijvoorbeeld Hume die meent dat zwarten en in het algemeen alle andere soorten mensen van nature inferieur zijn aan de witten. Volgens een bekend filosoof, Charles Mills, introduceert Kant impliciet een onderscheid tussen mensen en ‘Untermenschen’. Dat zet niet alleen diens morele en politieke filosofie onder druk, maar ook het gehele liberale denken van de moderne tijd. Bij Kant blijkt liberalisme perfect te kunnen samengaan met racisme. Kant mag dan de waardigheid van de persoon benadrukken, maar wat verstaat hij eigenlijk onder het begrip ‘persoon’? Is dat begrip zelf niet raciaal geladen?

Misschien is ook de rede, waaraan Kant zijn beroemde kritieken wijdde, gekleurd en liggen de niet-witte mensen en ligt de niet-Europese mensheid buiten het rijk van de rede. Als dat het geval is, behoort misschien ook de mondigheid van de mens waartoe Kants geschrift over de verlichting oproept, tot het exclusieve domein van de witte mens. Dat kan niets anders betekenen dan een bevestiging van de suprematie van de witten van Europa die de rest van de wereld tot ontwikkeling en vooruitgang moet dwingen. Kortom, volgens auteurs als Mills is Kants project van verlichting een exclusief Europese aangelegenheid en moet de niet-witte wereld van buitenaf tot ontwikkeling gebracht worden.

Anderen vinden deze kritiek dan weer aan de veel te straffe kant. Kants racistische opmerkingen zijn betreurenswaardig, maar bevinden zich in relatief perifere essays en ze behoren niet tot de kern van zijn filosofie. Gooi niet met het badwater ook het kind weg, luidt hun devies. Kant kijkt inderdaad niet altijd over de vooroordelen van zijn tijd heen, en die betreffen niet alleen het ras, maar ook de ondergeschikte positie van de vrouw en de doodstraf waarvan Kant een fervent voorstander was. Het is zaak zich op zijn principes te concentreren. Is echter deze strategie om Kant te verdedigen door een dergelijk onderscheid te maken tussen zijn principes en zijn toepassingen ervan overtuigend of niet toch te gemakkelijk? Is het mogelijk om de terechte kritiek op Kants visies serieus te nemen en niettemin waardering voor zijn filosofie te behouden? Laten we een poging wagen.

Kant neemt met name in zijn latere jaren kennis van de empirisch-antropologische studies van zijn tijdgenoten en accepteert hun bevindingen op onkritische wijze. Die bevindingen inclusief de racistische opmerkingen die we tegenkwamen, maken voor hem deel uit van een visie op de menselijke geschiedenis. Dat kan niet betekenen dat zijn gehele filosofie erdoor is geïnfecteerd, want Kant is zich er goed van bewust dat we wat de geschiedenis betreft uiteindelijk alleen maar vermoedens hebben. De feiten waarop we onze vermoedens baseren, zijn beperkt en kunnen door andere feiten weerlegd worden. En zo is het ook gegaan.

Is het mogelijk om de terechte kritiek op Kants visies serieus te nemen en niettemin waardering voor zijn filosofie te behouden?

Veel van Kants ‘inzichten’ zijn intussen achterhaald: zijn theorie over het flogiston; zijn inschatting van de leeftijd van de aarde, zijn opvatting dat de natuur de soorten of geslachten behoudt, dat wil zeggen dat deze onveranderlijk zijn (mogelijk een erfenis van de scheppingsgedachte). Intussen is de achttiende-eeuwse visie op de biologie obsoleet geworden door inspanningen van grootheden als Alexander von Humboldt, Gregor Mendel en Charles Darwin. Kant legt misschien terecht nadruk op het belang van begripsvorming in de humane wetenschappen, maar dat betekent niet dat zijn begrip ‘ras’ de juiste keuze was. Volgens Kant was er geen strikt-theoretisch bewijs voor het bestaan van vier rassen, laat staan voor de superioriteit of inferioriteit van een bepaald ras. Met andere woorden: hij houdt expliciet de mogelijkheid open dat zijn antropologische bevindingen door latere wetenschappelijke inzichten worden achterhaald.

Als het gaat over de wiskunde of over de natuurkunde is een veel objectievere vorm van kennis, meent Kant, mogelijk. Eenzelfde objectief statuut kent hij toe aan het fundament van zijn ethiek. Tegenwoordig zouden we zijn positie ‘moreel realisme’ noemen. Daarom kan men met Kant tegen Kant denken. Deze universele ethiek stelt hem in staat zich in zijn laatste geschriften nadrukkelijk uit te spreken tegen het kolonialisme van wat hij de zogenaamd ‘beschaafde’ Europese landen noemt, en hun oorlogszucht aan te klagen. In zijn beroemde Naar de eeuwige vrede – wegbereider voor de latere Volkenbond en de Verenigde Naties – bekritiseert Kant de handel drijvende staten van ‘ons’ werelddeel. Want die hechten helemaal geen belang aan de rechten van de (oorspronkelijke) inwoners van Amerika, van de ‘negereilanden’ en van de specerij-eilanden. Deze bewoners worden wel met allerlei kwaden en kwalen opgezadeld. Daarom hebben deze landen (Kant noemt China en Japan) het volste recht om deze Europese landen buiten de deur te houden. Wij weten intussen dat hun pogingen om dat te doen tevergeefs zijn geweest. Europese staten, zo heet het bij Kant, drinken onrechtvaardigheid als water.

Door deze stellingnames wordt Kants racisme stevig gerelativeerd. In zijn rechtsfilosofie verklaart Kant dat buitenlanders zich enkel op basis van een contract elders in de wereld mogen vestigen. En dat geldt ook als de oorspronkelijke bewoners herders en jagers zijn die voor hun bestaanswijze grote open stukken land nodig hebben. Men mag bovendien geen misbruik maken van eventuele inheemse onkunde wat betreft het sluiten van contracten. En alle – waarschijnlijk slechts geveinsde – goede intenties om die zogenaamde ‘wilden’ wat beschaving bij te brengen kunnen volgens Kant niet de onrechtvaardigheid van de inzet van koloniaal geweld wegnemen.

Op grond van dergelijke overwegingen en met name door Kants introductie van de nieuwe categorie van het zogeheten kosmopolitisch recht meent de Groningse hoogleraar Pauline Kleingeld dat Kant zijn opvattingen over ras uiteindelijk heeft herzien. Daarmee verdwijnt ook de twijfel over Kants mogelijke instemming met slavernij. Terwijl de (formele) afschaffing van de slavernij pas later in de negentiende eeuw zal plaatsvinden, spreekt Kant zich er ondubbelzinnig tegen uit. Hij bekritiseert het tot slaaf maken van zwarten en (oorspronkelijke) Amerikanen en noemt de suikereilanden als voorbeeld waar de meest wrede en uitgekiende vorm van slavernij plaatsvindt. Deze afwijzing is gebaseerd op een moreel ‘bewijs’. Slavernij is moreel en juridisch gesproken onmogelijk.

Dat bewijs betreft niet de situatie dat iemand door dwang of (oorlogs)geweld tot slaaf van een ander gemaakt wordt. Dat is evident moreel niet toegestaan, moet zelfs Aristoteles schoorvoetend toegeven. Kants ‘bewijs’ betreft de vraag of iemand zelfstandig, vrijwillig en op eigen initiatief voor slavernij kan kiezen. Het is volgens hem moreel onmogelijk dat iemand zich door een contract onomkeerbaar ondergeschikt maakt aan een ander. In die situatie heeft diegene tegenover de ander alleen plichten en geen rechten. En als iemand zichzelf niet vrijwillig tot slaaf kan maken, dan kan een ander dat door middel van geweld zeker niet.

De bewijsvoering is eigenlijk niet zo moeilijk: niemand kan zich door middel van een contract in een situatie van volstrekte afhankelijkheid brengen, omdat hij daarmee zou ophouden een persoon te zijn. Hij kan enkel als persoon een contract sluiten en hij kan dus niet tegelijk zichzelf als drager van rechten opgeven. Hij zou dan immers tegelijk voorwerp, object, van het contract zijn als subject ervan, als degene die het contract afsluit. Een mens mag zichzelf niet tot louter een object (van een contract) maken. Op het moment zelf dat iemand zich contractueel zou beroven van het recht om contracten te sluiten, is dat contract nietig. Een contract waardoor een van de contractpartijen ophoudt partij bij dat contract te zijn, is volgens Kant ‘logisch’ onmogelijk.

Deze ‘bewijsvoering’ berust natuurlijk op een problematische vooronderstelling of aanname, namelijk dat niemand eigenaar van zichzelf is. Maar deze aanname wordt door velen onderschreven. Denk aan de zaak van de kannibaal van Rotenburg van een aantal jaren terug. Twee mannen ontmoetten elkaar op internet, waarbij de een de wens uitte om een ander te doden en op te eten en de ander aan die wens wel tegemoet wilde komen. Maar als ik niet de eigendom over mijzelf heb, kan ik mezelf onmogelijk ter consumptie overdragen aan een ander. Het juridisch beroep van de kannibaal op contractvrijheid werd afgewezen. Kants argument draait er dus niet enkel om dat niemand eigendom kan zijn van een ander, maar vooral ook dat niemand eigendom is van zichzelf. Dat is het gevolg van wat Kant de menselijke waardigheid noemt. Die centrale en waardevolle gedachte van Kants ethiek zijn wij niet bereid op te geven. Het verbod op slavernij en het perverse karakter van racisme is uiteindelijk gebaseerd op de plicht dat eenieder zichzelf en ieder ander met respect behoort te behandelen. Die gedachte dat ieder mens drager van universele plichten is, blijft de moeite van het behouden waard, zelfs als die gedachte afkomstig is van iemand die zich niet van de racistische vooroordelen van zijn tijd heeft kunnen bevrijden.

Daarmee staat de boodschap van Kants opstel over de verlichting wat ons betreft nog overeind. Die immers roept ons op om zelf na te denken over wat ons te doen staat. Het is zeker ook in onze tijd hard nodig om bijziendheid zo veel mogelijk te vermijden en aan de kaak te stellen. Daarbij zijn de begrippen die Kant in zijn werk benadrukt, zoals die van de menselijke waardigheid, morele universaliteit en die van de feilbaarheid van onze empirische kennis, ons behulpzaam. Zonder zijn bijziendheid over het hoofd te zien blijft Kant degene die ons oproept uit te zien naar en bij te dragen aan een vreedzame toekomst.


Thomas Mertens en Willem van der Kuijlen zijn hoogleraar rechtsfilosofie respectievelijk docent filosofie aan de Radboud Universiteit. Op 14 september verschijnt bij uitgeverij Boom Kant: Wat is verlichting?, een verzameling essays van Kant rond het thema verlichting en geschiedenis, vertaald en ingeleid door Thomas Mertens en Willem van der Kuijlen