Merijn Oudenampsen en de ‘conservatieve backlash’

Zwartepieten met links en rechts

Dat links nu de rekening gepresenteerd krijgt, komt vooral doordat links op belangrijke punten zijn eigen ideologie verloochende. Zegt Herman Vuijsje, die door Merijn Oudenampsen in zijn boek over Nieuw Rechts als een ‘conservatieve figuur’ wordt neergezet.

Medium anp 963265
Den Haag, 1998. Thijs Wöltgens (l), Frits Bolkestein (m) en Ernst Hirsch Ballin hebben hun beschouwingen over het poldermodel gebundeld in het boekje ‘Poldergeest’. © Raymond Rutting/ANP

Nederland stond van oudsher bekend als een soort praathuis waar beleidsaanpassingen geleidelijk en weloverwogen tot stand kwamen. Kwamen, want in de jaren zestig kwam een abrupt einde aan dat beeld van beheerste verandering in kalm beraad. Binnen tien jaar maakten we de reuzenzwaai van een van de meest behoudende landen van West-Europa naar vrijgevochten sociaal laboratorium. En begin deze eeuw, met als culminatiepunt Pim Fortuyns verkiezingsoverwinning in 2002, gebeurde het omgekeerde: de slinger sloeg abrupt terug.

Over de achtergrond van de heftige omslag van de jaren zestig is iedereen het wel eens: Nederland had zichzelf overleefd als regenteske en benepen zuilen- en standenmaatschappij. Maar waar kwam die recente terugslag precies vandaan? Daarover bestaat minder overeenstemming.

In zijn proefschrift The Conservative Embrace of Progressive Values keert politicoloog en socioloog Merijn Oudenampsen zich tegen de veel gehoorde opvatting dat we de verklaring bij het opkomende ‘populisme’ moeten zoeken. Onbevredigend en simplistisch: alsof het domme volk zich op sleeptouw laat nemen door een primitieve en irrationele rancuneleer die met uitgekiende stijl en retoriek onderbuikgevoelens mobiliseert.

Oudenampsen vraagt aandacht voor een andere drijfveer: de kracht van ideeën, volgens hem in Nederland met zijn consensustraditie altijd een ondergeschoven kind. Voor links betekenden de jaren negentig misschien het einde van de ideologie, stelt hij, maar rechts was toen juist bezig met een ideologische herbronning die spoedig vruchten zou afwerpen. De kiezersrevolte die zichtbaar werd in 2002 sproot niet voort uit ‘de onderbuik’ maar uit ‘de bovenkamer’.

De aanstichters van deze ideologische omslag vormen volgens Oudenampsen een ‘eclectische coalitie van politici, journalisten en intellectuelen’ die in de jaren negentig kritiek begonnen te leveren op de ‘progressieve consensus’ die wortel had geschoten in de jaren zeventig. Zij slaagden erin maatschappelijke kwesties op een nieuwe, succesvolle manier te framen.

Oudenampsen schetst deze coalitie als een ‘brede conservatieve stroming’, die nieuw-rechtse ideeën importeerde uit de Angelsaksische wereld, in het kielzog van Ronald Reagan en Margaret Thatcher. Het nieuwe zat ’m vooral in de combinatie van vrijemarktpolitiek met cultureel conservatisme. Zonder extreem te worden vroegen wij van Nieuw Rechts aandacht voor de culturele kloof tussen nieuwkomers en gevestigde Nederlanders.

‘Wij’? Ja, want samen met onder anderen Frits Bolkestein, Pim Fortuyn en H.J. Schoo behoorde schrijver dezes volgens Oudenampsen tot de gangmakers van deze stroming. En mijn rechtsigheid neemt in de loop van zijn boek hand over hand toe. Was ik eerst nog een ‘conservatieve sociaal-democraat’, al gauw word ik ten tonele gevoerd als ‘conservatieve figuur’ die evenals Fortuyn de ‘progressieve consensus’ te lijf gaat, vervolgens als vertegenwoordiger van Nieuw Rechts, om als klap op de vuurpijl in één adem te worden genoemd met pvv-voorman Martin Bosma.

Nu is het voor de lezer niet zo interessant te vernemen dat ik mij in deze kwalificaties ‘niet herken’, ware het niet dat hiermee een fundamentele vooringenomenheid van de schrijver aan het licht treedt. Een vooringenomenheid die vaker naar voren komt in het debat over het einde van de politieke correctheid die tijdens de laatste decennia van de vorige eeuw toonaangevend was in Nederland.

Waarom zijn de versteende standpunten op gebieden als immigratie, integratie, criminaliteitsbestrijding en gedoogdenken sinds de jaren negentig geredresseerd? Oudenampsens antwoord: door toedoen van een ‘rechtse’ of in ieder geval ‘conservatieve’ backlash. Hij kenschetst de vertolkers van de politiek correcte standpunten die hun oorsprong vonden in de jaren zestig en zeventig consequent als progressief. Degenen die dit ‘progressieve erfgoed’ aanvielen, zijn conservatief.

DS’70 begon over een restrictief toelatingsbeleid voor gastarbeiders, en werd van racisme beschuldigd

Waarom zie ik hierin een uiting van vooringenomenheid? Laat ik dat onderbouwen aan de hand van een reeks voorbeelden uit mijn in 1997 verschenen boek Correct, waarin ik volgens Oudenampsen een ‘conservatieve correctie’ op de jaren-zestigideeën bepleitte.

Conservatief? In Correct beschreef ik onderdrukte islamitische vrouwen. Allochtone spijbelaars en schoolverlaters die niets in de weg werd gelegd terwijl zij hun maatschappelijke kansen verspeelden. Arme mensen op de wachtlijst voor een sociale huurwoning die door krakers werd weggekaapt zonder dat iemand daar iets aan deed. Slachtoffers van Hells Angels-geweld. Minderjarige seropositieve heroïneprostituées in de ‘gedoogzone’. Slachtoffertjes van kinderporno. Schizofreniepatiënten die aan hun lot werden overgelaten vanuit een overtrokken vertrouwen in de ‘onderhandelingshuishouding’. Slachtoffers van verkrachting en andere gevallen van geweldscriminaliteit die onopgelost bleven doordat dna-afname strijdig werd geacht met het privacytaboe.

Bij zijn pleidooi om de betekenis van ideeën op de kaart te zetten, lijkt Oudenampsen te vergeten waar het bij deze ideeënstrijd uiteindelijk om gaat: mensen en hun bejegening door de overheid. Bovenstaande opsomming is maar een greep, met als overeenkomst dat steeds het lot van de maatschappelijk minst weerbaren in het geding was. In de steek gelaten door een overheid die zich had laten gijzelen door politieke taboes die hun oorsprong vonden in de jaren zestig en zeventig.

Praktisch al deze vormen van slachtofferschap zijn sinds de jaren negentig aangepakt, veel later dan het geval zou zijn geweest als dat niet was verhinderd door degenen die Oudenampsen als ‘progressief’ betitelt. Gekker moet het niet worden, om de mij door Oudenampsen toegedachte pvv-vrienden te citeren.

Niet alleen de begrippen ‘progressief’ en ‘conservatief’ gebruikt Oudenampsen op een aanvechtbare manier, hetzelfde geldt voor ‘links’ en ‘rechts’. Hij veegt alle criticasters van de politieke taboes bij elkaar als Nieuw Rechts, dat zich op ideologische gronden verzette tegen een ‘linkse elite’ die sinds de jaren zestig de instituties domineerde.

De opeenvolging van heftige wendingen in de recente Nederlandse politiek wordt wel vaker geïnterpreteerd als een carrousel van links-rechts-revanchismen. Ook de abrupte opkomst van Pim Fortuyn is nogal eens in die termen verklaard. ‘Wim baarde Pim’, zei Bolkestein in een poging de pvda van Wim Kok de zwarte piet in de schoenen te schuiven. Fortuyn zelf zag het breder: niet alleen de pvda, maar de hele ‘paarse’ coalitie van pvda, vvd en d66 die Nederland van 1994 tot 2002 regeerde was verantwoordelijk voor de puinhopen waarop hij zijn Lijst Fortuyn kon grondvesten.

Maar als we kijken naar het onderwerp dat zijn kiezers het hoogst zat – het taboe rond immigratie en integratie – was er eerder sprake van een nationale groepsbevalling. De lange voorgeschiedenis van taboeïseren en wegkijken speelde zich grotendeels af onder de kabinetten-Lubbers. Alleen de kleine linkse en rechtse beginselpartijen SP en gpv (later ChristenUnie) pleitten toen al voor een realistisch immigratie- en integratiebeleid, als roependen in de woestijn.

Het heeft dan ook weinig zin de standpunten op dit gebied in links-rechts-termen te willen duiden. Het rijtje van politici die hebben geprobeerd het etnisch taboe te doorbreken, maakt dat in één oogopslag duidelijk: respectievelijk Willem Drees junior (DS’70), Hans van Hooft (SP), Frits Bolkestein (vvd), Paul Scheffer (pvda), Pim Fortuyn en Geert Wilders.

Begin jaren zeventig begon DS’70 over een restrictief toelatingsbeleid voor gastarbeiders, en werd prompt van racisme beschuldigd. Begin jaren tachtig opperde de Socialistiese Partij retourmigranten een premie te geven, wat werd afgestraft als het bevorderen van vreemdelingenhaat. Begin jaren negentig kwam Bolkestein met zijn pleidooi voor meer aanpassing van immigranten en boekte als eerste succes: de voorspelbare verkettering maakte al gauw plaats voor schuchtere waardering. Begin jaren nul opende Paul Scheffer de volgende ronde met zijn essay over het multiculturele drama, en oogstte vooral bijval. En in 2002 won Fortuyn de verkiezingen.

Links is: opkomen voor de zwakken. Zij keken de andere kant op terwijl zwakken werden vertrapt

Waardoor was Bolkestein de eerste in deze links-rechts-potpourri die wist door te pakken? Niet vanwege zijn rechtse ideologie, maar door zijn virtuoze timing. Misschien door zijn lange verblijf in het buitenland had hij voldoende afstand van het Nederlandse opinieklimaat om te kunnen inschatten wanneer de politieke taboes even vermolmd waren als de zuilen in 1965. Bolkestein zag in dat naast populisme en rechts ideeëngoed een derde drijvende kracht een minstens even belangrijke rol speelde, namelijk dat de ontaarding van jaren-zestigstandpunten en de daaruit voortgevloeide misstanden zulke ernstige proporties had aangenomen dat een correctie simpelweg niet kon uitblijven. Ook zonder rechtse ideologische onderbouwing en zonder neoconservatief en neoliberaal programma waren de taboes niet langer houdbaar.

Aan deze reële problemen van de onderklasse en de electorale afstraffing die daarvan het gevolg was, maakt Oudenampsen, die geen geheim maakt van zijn linkse gezindheid, weinig woorden vuil. Net als degenen die het populisme als belangrijkste drijvende kracht zien, lijkt hij die onderklasse te beschouwen als een soort lompenproletariaat, verdoofd door een vals bewustzijn en vatbaar voor de influisteringen van duistere krachten.

Terwijl het in werkelijkheid helemaal niet ingewikkeld is: het gaat om gewone mensen, al mag je dat tegenwoordig niet meer zo noemen, met gewone mensenwensen. Die wensen behelzen in de eerste plaats een breed gedragen kritiek op het veronachtzamen van problemen rond migratie en normverdringing, een kritiek die met politieke oriëntatie weinig te maken heeft.

Wat Oudenampsen een rechtse backlash noemt, is in hoge mate een autonome correctie in een dialectisch proces. De verworvenheden van de jaren zestig worden bekritiseerd noch teruggedraaid, omdat praktisch niemand dat wil. De kritiek geldt de punten waarop deze erfenis is doorgeslagen, zozeer dat zij zich tegen de centrale waarden van die jaren ging richten.

Historici en sociologen staan bloot aan de verleiding gebeurtenissen begrijpelijk te maken door ze in grotere structuren onder te brengen. Merijn Oudenampsen sluit zich dan ook aan bij andere auteurs die het aantreden van de nieuwe elite in de jaren zestig en haar abdicatie die nu gaande is, beschouwen als twee edities van hetzelfde mechanisme. Nog aanlokkelijker is het dit mechanisme te bombarderen tot de typisch Nederlandse vorm van verandering, waarin ook het geliefkoosde nationale speeltje van het consensusmodel een plaats vindt.

Zo reageert volgens Oudenampsen de zittende elite in onze dagen even flexibel op de nieuwe uitdaging als de regenten-elite in de jaren zestig. Destijds veerde, zoals historicus James Kennedy heeft beschreven, de conservatieve elite mee met de progressieve protestgeneratie, en nu zij zelf onder vuur ligt verkiest de progressieve elite op haar beurt accommodatie boven confrontatie. Anderzijds doen ook de conservatieve critici water bij de wijn: zij omarmen, zoals de titel van Oudenampsens boek aangeeft, progressieve waarden als vrouwenemancipatie en homorechten. Dat is de vrucht van het Nederlandse consensusmodel met zijn afkeer van ideologische scherpslijperij.

In werkelijkheid zijn de verschillen tussen het aan- en aftreden van de jaren-zestig-elite levensgroot. De babyboomers wisten in vijf, hoogstens tien jaar de oude elite in te kapselen, maar eenmaal zelf aan de macht gekomen, lieten ze zich heel wat minder snel aan de dijk zetten. Van deze nieuwe elite kun je niet zeggen dat ze, zoals de ‘regenten’ in de jaren zestig en zeventig, soepel meeboog met vernieuwingen die ze als onvermijdelijk ervoer. Integendeel, ze wist haar politiek correcte heerschappij een kwart eeuw lang te rekken.

En ze werd daarbij niet geholpen door de Nederlandse consensustraditie. Bij consensus gaat het immers om dat kalme en nuchtere overleg in het Hollandse praathuis, waarbij alle partijen geven en nemen tot een voor ieder bevredigend resultaat is bereikt. Niets daarvan was te vinden in de opstelling van de zittende elite ten opzichte van de gevoelige publieke kwesties die zich in de jaren zeventig en tachtig ontwikkelden tot politieke taboes.

Dat deze taboes zich zo lang konden handhaven, laat zich niet verklaren uit een consensuscultuur. Taboes blijven in stand bij de gratie van een daaraan tegengestelde kracht, waaraan Oudenampsen alleen in het voorbijgaan aandacht besteedt: een afgedwongen conformisme. Bij hun publieke standpuntbepaling over gevoelige kwesties bleven Nederlanders trouw aan die heersende taboes, totdat de maatschappelijke schade onverdraaglijk werd. Pas op dat moment veranderden ze schoks- en polonaisegewijs van koers. Dat vooral rechtse partijen hierbij garen hebben gesponnen, is niet in de eerste plaats het gevolg van hun ideologische herbronning, maar van nuchter inzicht en goede timing. En van het verzuim van links, dat blijk gaf van een tekortschietend en naijlend zelfreinigend vermogen door vast te houden aan de oude vormen en gedachten van de politieke taboes.

Hoewel, ‘links’? Het laatste wat je van de politiek correcte voorlieden in de laatste decennia van de eeuw kunt zeggen, is dat ze links waren. Links is: tegenspraak leveren. Zij verboden tegenspraak. Links is: opkomen voor de zwakken. Zij keken de andere kant op terwijl zwakken werden vertrapt en hielden berichten daarover onder de pet. Dat links nu de rekening krijgt gepresenteerd, komt niet door zijn linkse ideologie, noch door het ideologisch reveil van rechts. Het komt in de eerste plaats doordat links op belangrijke punten zijn eigen ideologie verloochende.

Die constatering geeft ook zicht op nieuw perspectief. De mensen die eerst op gevestigde partijen stemden en later op Pim Fortuyn, Geert Wilders of Thierry Baudet zijn niet allemaal overnight de Styx overgestoken om voorgoed in de politieke onderwereld te blijven. Ze hebben geaarzeld en aarzelen nog steeds. Een groot deel van hen is door links terug te halen. Een rechts ideologisch reveil doet daar niets aan af.