Zweden of de wereld?

ZOU AAN DE lijst van genomineerde boeken voor de Generale Bank Literatuurprijs, die op 24 oktober wordt uitgereikt, de stand van de Nederlandse literatuur moeten worden afgelezen, dan zou je een mooi geschakeerd beeld krijgen. Bijna te mooi om waar te zijn.

Er zit een degelijke surrealistische verhalenbundel tussen (Zondagskinderen van Maria Stahlie), een kleine lyrische roman (Liefdesdood van Oscar van den Boogaard), een onbegrijpelijke Belgische verhalenbundel (Kindergezang van Joris Note), een heldere lichte roman (De passievrucht van Karel Glastra van Loon) en twee literair-journalistieke documenten, het ene oer-Hollands van snit (De graanrepubliek van Frank Westerman) en het andere exotisch Afrikaans (Een mond vol glas van Henk van Woerden).
Geen libellatuur (Pauline Slot), geen autobiografie (Jean-Paul Franssens), geen barokke onderneming (Cees Nooteboom).
Niks om schamper over te doen, maar ook niks om je over te verbazen, behalve dan de gebruikelijke eerste erupties: ‘Hé, geen Thomése?’ en: 'Waarom niet Kees ’t Hart?’
Zo gauw het om Nederlandse literatuur gaat, is altijd de vraag: wat is de norm? Waar meet je de kwaliteit aan af? Aan Zweden of aan de wereld?
Als je ervan uitgaat dat Nederland een soort Zweden is, krijgt alles opeens griezelig kleine proporties. Waarom zou je Van Dis en De Moor en al die andere literaire successen van het moment lezen? Kom je er niet onderuit, omdat ze gedurende enkele weken zo'n beetje iedere dag op de radio of televisie te horen zijn en het 'dus’ dan wel wat moet wezen? Of is het toch de kans dat een wereldschrijver blijkt opgestaan die de nieuwsgierigheid blijft voeden?
Wereldschrijver Harry Mulisch gaat er prat op nooit iets te lezen van zijn collega’s in den lande. 'Als je zo'n boek openslaat en de eerste regels leest, weet je het al.’ Hij zegt het met de vermoeidheid van iemand die het desondanks al ettelijke keren heeft geprobeerd, een Nederlandse schrijver lezen, om iedere keer weer een natte windvlaag in zijn gezicht te krijgen. Allemaal zo 'petit’, zo weinig fantasievol en groots, zo veel klein ongeluk en dat alles ook nog eens vervat in bedompte taal.
Nu is de tijd waarin het grauwe realisme de boventoon voerde inmiddels wel voorbij. Toch blijft de vraag 'Heb je de laatste tijd nog een mooi Nederlands boek gelezen?’ op de een of andere manier altijd een gewetensvraag van jewelste, vergelijkbaar met 'Heb je de laatste tijd nog een mooie Nederlandse film gezien?’ Meestal wordt het eerst een tijdje stil en volgen dan schoorvoetend twee of drie titels, voorzien van een hoop maren en alleens. Zelfkritiek? Of is de spoeling gewoon dunner? Wereldschrijvers, in de zin van schrijvers van universeel, tijdloos, prachtig mooi opzwepend verontrustend proza, zijn er gewoon niet zoveel, en al helemaal niet in een klein land als Nederland. Of Zweden, al schijnt dat toch weer een stuk groter te zijn.
In ieder geval één boek onder de genomineerde titels voor de Generale Bank Literatuurprijs ondergraaft de gulden regel van Mulisch wel erg letterlijk.
De eerste regels zetten iets in gang waarvan de afloop zeer ongewis is. Met haar verhalen in de bundel Zondagskinderen doet Maria Stahlie de lezer van de ene verbazing in de andere stuiteren. Het openingsverhaal 'Ochtendbries’ laat zich lezen als een proloog en is bedrieglijk autobiografisch van toon. Hier is een schrijfster-in-crisis aan het woord. Ze brengt de vakantie door samen met haar vriend, ook schrijver, in het burgerlijke onderkomen van haar zus die zelf met haar gezin richting Frankrijk is vertrokken. Terwijl zij denkt nooit meer te kunnen schrijven bij gebrek aan stof, is haar vriend obsessief bezig de laatste hand te leggen aan zijn roman.
Stahlie schetst een kwinkelerend zomers bestaan in een buitenwijk, met spelende kindertjes en barbecuepartijtjes. Niemand die er iets te verbergen heeft, niemand die roet in het eten gooit. Natuurlijk, de scherpe schrijfsterblik neemt van alles waar dat op het tegendeel wijst, maar ze blijft er onverstoorbaar en passief onder. Totdat ze in een slapeloze nacht het meest saaie tafereel ter wereld gadeslaat bij de overburen en, al geeuwende, een koele ochtendbries langs haar blote armen voelt strijken. En krák zegt haar onverstoorbaarheid. 'De tijd was eindelijk weer rijp voor verhalen.’ Alsof Stahlie wil zeggen: inspiratie haal je niet uit wat zich voor je ogen afspeelt, maar uit een reservoir dat dieper ligt. Om erbij te kunnen komen moet je het niet bij kijken laten, maar afdalen naar daar waar die onderstroom woedt.
Een intrigerend schrijversprogram, dat Stahlie in de vijf verhalen die volgen helemaal waarmaakt. Al waaieren haar verhalen breed uit, van Nederlandse achterstandwijk naar Amerikaans bos, van puber tot patjepeeër, ze maken stuk voor stuk deel uit van het hechte Stahlie-universum. Hierbinnen probeert men koste wat kost controle te houden over het niet-controleerbare, en de enige die daarin echt slaagt is de schrijfster zelf.
Het zou jammer zijn als Mulisch na één bladzijde Zondagskinderen terzijde legt, want waarschijnlijk zou de hoekige intellectuele stijl van Stahlie hem juist wel bevallen. Haar proza is zelfs een beetje hermetisch; de clou van haar verhalen is soms bijna verteltechnisch van aard en gaat buiten de personages om. Stahlie maakt van haar verhalen kunststukjes die bewondering afdwingen, hetgeen iets anders is dan dat ze literatuur schrijft die beroert, ontzet of opzweept.
'De hoofdfiguren van dit boek trachten iets te bereiken of te begrijpen en komen niet uit waar ze willen’ staat te lezen op het achterplat van Kindergezang van Joris Note. Het lijkt mij een adequate samenvatting van deze verhalenbundel die er niet alleen afstotelijk uitziet maar ook heel naar proza blijkt te herbergen. Functioneel lelijk is alleen het laatste verhaal, 'Verborgenheden’, over een journalist die naar een onooglijk dorpje afreist voor een reportage. Waarschijnlijk geldt voor de schrijver hetzelfde als wat hij een van zijn personages over zichzelf laat opmerken: 'Er ligt een bezinksel van onzin in mij, soms baant zich iets ongewild een weg naar boven en doet me luid boeren.’ Dit is zelfs geen Zweden, maar Lapland.
Henk van Woerden schetst in Een mond vol glas door middel van de geschiedenis van een zieke moordenaar het portret van een ziek land. Hij reconstrueert het leven van de man die in 1966 de Zuid-Afrikaanse premier Verwoerd doodstak tijdens een parlementszitting. Behalve dat hij via deze Demetrios Tsafendas het tumultueuze emigrantenbestaan van een 'kleurling’ vertelt, schrijft Van Woerden over Zuid-Afrika toen en nu aan de hand van persoonlijke impressies. De schrijver was negentien en student in Kaapstad toen Verwoerd, de grondlegger van de apartheidspolitiek, werd vermoord. Diezelfde avond feest hij mee, 'in de bovenstad, aan de rand van Distrik Ses’, de beruchte sloppenwijk. 'Was ik maar zwart geboren.’ Dertig jaar later beweegt deze 'bleekscheet, langneus, angsthaas’ zich met dezelfde schizofrenie door de gewelddadige steden van Zuid-Afrika.
Alleen al voor zijn inspanningen de obscure en absurde levensloop van Tsafendas te achterhalen, en de man uiteindelijk zelf te spreken te krijgen, zou Van Woerden met honderdduizend gulden beloond mogen worden. Het neemt niet weg dat zijn wederwaardigheden ook in een krant prachtig tot hun recht hadden kunnen komen. Hoe goed en mooi geschreven dan ook, van Een mond vol glas is de 4 titel nog het meest literair. Het boek is meer wereldjournalistiek dan -literatuur.
Met De passievrucht beleefde Karel Glastra van Loon dit voorjaar plotseling een groot succes. Het is dan ook een toegankelijke roman, soepel geschreven, spannend én intelligent. Het hoofdpersonage komt erachter dat zijn dertienjarige zoon niet door hem verwekt kan zijn en begint een speurtocht naar de echte vader. Glastra van Loon kneedt zijn materiaal als componeert hij een detectiveroman. Hij jongleert met stukjes heden en verleden, switcht behendig heen en terug, tilt af en toe een tipje op en houdt de lezer voortdurend die vette kluif van een clou voor. Uiteindelijk knoopt hij alle losse draadjes aan elkaar en is de ontknoping zoals zij moet zijn: onverwacht en logisch.
De passievrucht is andermaal, net als Zondagskinderen, een voorbeeldig exempel van beheersing van stof en stijl. Glastra van Loon is erg sterk in het beschrijven van het moderne leven, met veel aandacht voor liefde, trouw en seks. Hij heeft een kale schrijfstijl die de omvang van de dramatiek prachtig doet uitkomen. De wereld van zijn hoofdpersonage, die tot dan toe gevuld was met zekerheid en kennis, is door het raadsel van de herkomst van zijn zoon opeens veranderd in een zompig moeras. Kende hij zijn vrouw, die al tien jaar dood is, eigenlijk wel? Houdt hij nog wel op dezelfde manier van zijn zoon die zijn zoon niet is?
De grote kwesties waarover De passievrucht gaat, maken het een rijke roman. De vorm die Glastra van Loon heeft gekozen, die van een spannend verhaal, maakt echter ook dat het vooral een onderhoudend boek is dat eenmaal gelezen voorgoed in de kast gezet kan worden.
BLIJVEN TWEE kanshebbers voor de wereldtitel over: Frank Westerman met De graanrepubliek en Oscar van den Boogaard met Liefdesdood.
Twee onvergelijkbare projecten, maar beide in hun genre groots. Frank Westerman schreef met De graanrepubliek een Hollands drama in zwierige verpakking. Aan de hand van de geschiedenis van drie families laat hij groei en neergang van het Groningse boerenbedrijf zien. Op zich niet iets waarvoor ik direct warmloop, maar dankzij de aanpak en schrijfstijl van Westerman kan ik nu geen aardappels meer zien op de schappen van Albert Heijn zonder te denken aan de mishandeling die zij achter de rug hebben.
De trouw aan het communisme, zelfs nadat de muur was gevallen, was voor Westerman de oorspronkelijke aanleiding om af te reizen naar Oost-Groningen, schrijft hij in de verantwoording achter in het boek. 'Het wereldcommunisme had afgedaan, maar in de Dollardklei lag nog een ongeschonden fossiel.’ Hij is 6 nog net op tijd om prachtige verhalen op te tekenen, bijvoorbeeld uit de mond van Koert Stek die door partijleider De Groot voor een jaar naar Moskou werd gestuurd, voor scholing. Arme Koert, 'een joch dat met zes span paarden uit de Groninger klei was getrokken’, weg van zijn geliefde Tjakkie, gedrild tot gestaald kader in een van de Moskouse woonkazernes. Een strafkamp!
Ander hoogtepunt in De graanrepubliek vormt de ontmoeting met Sicco Mansholt en na diens dood de gesprekken met zijn weduwe en de reconstructie van zijn affaire met een jonge Duitse politica. De constatering van Westerman dat in de bejaardenflat van de vijfentachtigjarige weduwe tussen alle familiekiekjes op het dressoir Sicco niet één keer voorkomt, valt achteraf gezien helemaal op zijn plaats.
Westerman bedrijft een originele manier van geschiedschrijving, omdat hij zichzelf als verteller nadrukkelijk als een van de dramatis personae opvoert. Zijn droge distantie en ingehouden nieuwsgierigheid leiden tot onverwachte notities als: 'Het viel me op dat Boelo in zijn ijsje beet, zoals oude mensen dat doen’, en doen hem de juiste vragen aan de juiste persoon stellen: 'Ik vraag of haar man een ander mens was toen hij uit Moskou kwam.’ Sober, maar adequaat verantwoordt hij zich aan het eind met de woorden: 'Niets is verzonnen, maar alles is gekleurd.’ Een zeer geslaagd waagstuk.
Liefdesdood van Oscar van den Boogaard is niet origineel en gedurfd als De graanrepubliek van Frank Westerman, niet superieur luchtig als De passievrucht van Karel Glastra van Loon, niet scherp en beheerst als Zondagskinderen van Maria Stahlie en niet zinderend weemoedig als Een mond vol glas van Henk van Woerden, maar is, om het maar gepast plechtstatig te zeggen: alles wat literatuur vermag.
Vanaf de eerste regels is het inderdaad duidelijk hoe laat het is. 'Er was eens een matroos die het eind van een touw inslikte en door de kronkelingen van zijn darm de mast in werd gehesen. Meisjes van acht begrijpen zoiets niet.’
Liefdesdood gaat over de dood van een kind en wat die teweegbrengt in het leven van vijf volwassenen. Vederlicht lijkt Van den Boogaard telkens even de besognes van de verschillende betrokkenen aan te stippen. Ondertussen creëert hij daarmee een zachtmoedig inzicht in het menselijk tekort. Het is alsof hij door een beetje op een piano te pingelen de Derde symfonie van Górecki ten gehore brengt. Om zo sereen en uitbundig tegelijkertijd te kunnen schrijven over levensdrama’s die bijna alleen nog maar in clichés tot ons komen, dood en verraad, daarvoor moet je een wereldschrijver zijn.