Interview met Klas Östergren

‘Zweden zijn hypocriet’

Klas Östergren debuteerde op zijn twintigste met Atilla (1975). Zijn doorbraak kwam drie boeken later met de bestseller Gentlemen (1980), over twee jongemannen met een flamboyant leven. Gentlemen, hét Zweedse cultboek van de jaren tachtig, kreeg in 2005 een vervolg met de nu in Nederland vertaalde roman Gangsters.

Naar aanleiding van de Nederlandse vertaling van zowel Gentlemen als Gangsters ben ik afgereisd naar Stockholm. Klas Östergren zit tegenover me in een fauteuil, in een voormalig arbeidershuis in Gamla Stan, het oude stadscentrum, een pand met scheve houten vloeren en deuren. Normaal gesproken leeft Östergren teruggetrokken op het Zweedse platteland, in de provincie Skåne, op veilige afstand van de drukke hoofdstad. Voor twee dagen is hij ter promotie van zijn boek naar Stockholm gekomen. Hij draagt een grijze herenbroek met bijpassend gilet; de kleding van een gentleman.

In zijn boek Gentlemen ontmoet de verteller, die eveneens Klas Östergren heet, de flamboyante pianist Henry Morgan, die er een wilde levensstijl als bokser en jazzliefhebber op nahoudt. Door Morgan raakt Östergren betrokken bij duistere zaken die hun oorsprong vinden in de Zweedse wapenfabricatie en -handel tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het bedrijf dat daarvoor verantwoordelijk was wordt in de jaren zestig en zeventig een bekend commercieel imperium. Degenen die van de illegale praktijken afweten verdwijnen op mysterieuze wijze.

Ik vraag Östergren of hij al lang het plan koesterde om een vervolg op Gentlemen te schrijven. Het komt immers niet vaak voor dat een auteur op zijn vijftigste de draad van een verhaal opneemt dat hij als twintiger heeft geschreven.

Klas Östergren: ‘Ik wist dat ik niet kon gaan nadoen wat ik als 24-jarige jongen had geschreven, het zijn dan ook twee heel verschillende boeken geworden. Maar ik heb wel de verhaallijn van het eerste boek opgepakt, vooral die van de geheime Zweedse wapenproductie en aanverwante malafide praktijken. Toen ik begin twintig was, beangstigde dit verhaal me buitengewoon. Ik dacht steeds dat ik vermoord zou worden als ik over dergelijke dingen zou schrijven. Eigenlijk heb ik toen die angst niet durven benoemen. Dat durf ik nu wel. Nu weet ik dat het schrijven over zo’n onderwerp niet levensbedreigend is.

Toen Gentlemen net was verschenen en het een groot succes werd, kreeg ik vaak de vraag of er een tweede deel zou komen. Misschien ook omdat Gentlemen enigszins abrupt eindigt. Maar ik ben nooit goed geweest in het schrijven van vervolgverhalen, ik heb voor ieder boek een nieuwe vraag nodig, een esthetische vraag, die de uitdaging vormt om het boek te schrijven. Tegelijkertijd had ik wel een reden om met een vervolg te komen; al vanaf het begin vond ik dat Gentlemen door velen verkeerd werd begrepen. Ze vonden het zo’n “leuke” en “grappige” roman, een jongensboek voor volwassenen. Terwijl ik vond dat ik een droevig boek had geschreven, een boek over hoe individuen ten onder gaan aan de eisen van de samenleving en hoe het je onmogelijk wordt gemaakt om voor een eigen invulling van je leven te kiezen.

Ik had misschien blij moeten zijn dat zoveel lezers het zo’n humorvolle avonturenroman vonden, maar dat was nooit mijn bedoeling geweest. Door het schrijven van Gangsters wilde ik erachter komen hoe het mogelijk was dat een roman die ik met tranen had geschreven zo “leuk” werd gevonden. Eigenlijk mag je je niet bemoeien met de leeservaring van anderen, en toch was dit wel het onderwerp dat me bezighield tijdens het schrijven aan Gangsters.

Het grappige is dat met het verschijnen van Gangsters velen Gentlemen zijn gaan herlezen; dat is natuurlijk een luxe die een schrijver niet vaak overkomt. En als ze nu Gentlemen weer lezen, vinden ze het ineens wél een droevig boek. Dan hebben ze eindelijk het boek gelezen dat ik wilde dat ze zouden lezen. Het is merkwaardig om na 25 jaar alsnog die voldoening te krijgen.’

Hoe verhouden ‘Gentlemen’ en ‘Gangsters’ zich tot de rest van uw oeuvre?

Klas Östergren: ‘Ik ben erg jong begonnen met schrijven. Ik was negentien toen ik mijn eerste roman inleverde. In die tijd was ik vervuld van het “literaire”, ik probeerde poëtische verhalen te schrijven. Ik heb er lang over gedaan om te ontdekken wat het betekende om echt een roman schrijven. En dat is nog steeds mijn thema. Ik stel met ieder boek een vraag over hoe ik iets kan realiseren binnen de spanwijdte van een roman: bijvoorbeeld, hoe schrijf je een boek waarin aan het begin van het verhaal alle personages al overleden zijn? Hoe houd je zo’n boek spannend? Mij gaat het om de techniek van het schrijven, om de vraag: hoe maak je zo’n boek? Maar uiteindelijk hoeft de lezer hopelijk niets van dat gepeins in de roman terug te zien. Toch gaat zelfs Gangsters deels over hoe ik destijds Gentlemen heb geschreven.’

Het lijkt alsof u in ‘Gangsters’ steeds het ‘echte’ verhaal achter ‘Gentlemen’ wilt onthullen. Is dit een commentaar op lezers die boeken te letterlijk nemen, of juist altijd de precieze waarheid achter boeken willen weten?

‘Ja, deels, maar ook weer niet. Ik kan nu nog bij een bushalte staan wachten waar een volslagen onbekende naar me toe komt die beweert naast de gebroeders Morgan te hebben gewoond. Dergelijke dingen gebeuren me vaak. En ik heb lang getwijfeld of ik deze lezers wel van hun illusies mocht beroven; zij hadden mijn boek tot leven gewekt, erin geloofd en er van alles in gelezen dat er niet in stond. Mag je hen erop wijzen dat het niet klopt? Het zou bijna gemeen en harteloos zijn om dat te doen, maar tegelijkertijd heb ik dat recht wél. Ik ben het tenslotte die het boek heeft geschreven. Maar ik heb er in Gangsters wel een nieuwe mythologische laag aan toegevoegd. Als je met een roman komt waarin je over een eerder boek zegt: kijk, zo was het eigenlijk, dan leg je een nieuwe laag fictie over de reeds bestaande laag fictie. Toch wordt die laatste laag het meest geloofwaardig. Dit is een merkwaardig gegeven, want het is juist een verdubbeling van de fictie. Gangsters is een verhaal over een verhaal, en gaat daarmee over de ongrijpbaarheid van de waarheid. Ik verwachtte eigenlijk dat ik naar aanleiding van dit boek hatelijke mailtjes zou krijgen van mensen die in het verhaal van Gentlemen hadden geloofd, maar die hate mail is niet gekomen.’

‘Gentlemen’ speelt vooral in Stockholm, tijdens de jaren zeventig. U woonde daar toen. De laatste tijd komt juist het platteland in de boeken terug. Maken deze plekken uw werk tot typisch Zweedse verhalen?

Klas Östergren: ‘Nee, ik denk niet dat ik een typisch Zweedse schrijver ben. Er bestaat wel zoiets als een Zweedse literaire stijl, die bijna niet te vertalen is. Maar zulke boeken schrijf ik niet.

In mijn boeken ironiseer ik wel het zelfbeeld van de Zweden. Er wordt tegenwoordig ontzettend veel gepraat over de Zweedse identiteit, het ware Zweedse, en over dat het echte Zweedse volk aan het verdwijnen is. Er is veel verdriet omdat het oude Zweden ophoudt te bestaan. Dit soort dingen maken me misselijk.

Het zelfbeeld van de Zweden bestaat eruit dat we eerlijk en rechtschapen zijn, dat we veel werken en dat we tolerant zijn voor andere culturen. Maar dit zijn bijzonder twijfelachtige zaken. Daarnaast profileren we ons ook nog als vredestichters in de rest van de wereld, terwijl we evenveel wapens exporteren als Frankrijk en Engeland. Hebben we dan het recht om ons superieur te voelen? Ik verbaas me er niet over dat iemand in het Midden-Oosten Zweden net zo ziet als de rest van de westerse landen, maar de meeste Zweden denken dat ze een bijzondere status genieten.’

In ‘Gangsters’ wordt de hoofdfiguur bedreigd door de Afgezant, een mysterieuze overheidsambtenaar. Dat personage kun je zien als een symbool van de harde en genadeloze kant van de rechtschapen Zweedse rationaliteit. Maar hij komt ook sympathiek en charmant over.

‘Zo zijn de meeste Zweden: ze zijn echte gentlemen en gangsters tegelijkertijd. Dit is een dubbelheid en schijnheiligheid van de Zweden waar ik niet van houd. Weliswaar schijnen de statistieken te zeggen dat we veel immigranten hebben binnengelaten, maar hoe ze vervolgens worden behandeld, daar heeft niemand het over.

Ik denk dat bijvoorbeeld Nederland nooit zo door en door rationeel georganiseerd en gecontroleerd zal worden als Zweden, denk aan zaken als jullie drugsbeleid, prostitutie en kraakpanden. In Zweden zou zoiets nooit kunnen, Zweden willen alles onder controle houden.’

Neemt u wel eens deel aan discussies over dit soort zaken?

‘Nee, erg weinig. Ik heb dat wel eens gedaan, maar ik ben niet goed in discussiëren. Ik bedenk altijd pas na het gesprek wat ik werkelijk ergens van vind. En ik denk ook niet dat het aan iedere schrijver is om zich in dergelijke discussies te mengen. Sommige schrijvers zijn er goed in, maar tegelijkertijd is debatteren ook iets wat tegen het literaire schrijverschap ingaat. Als ik tegenover iemand zit met wie ik van mening verschil, kan ik diegene meestal wel begrijpen. Dat begrip, dat goed is voor een roman waarin je uiteenlopende personages moet kunnen neerzetten, is dodelijk voor een debat. Je moet in een debat de ander juist níet begrijpen; voor een levendige discussie moet er onbegrip zijn en moeten er misverstanden ontstaan. Met wederzijds begrip loopt een discussie spaak. Ik zou daarom niet graag aan praatprogramma’s op televisie deelnemen, ik blijf liever in de stilte van mijn landhuis achter mijn bureau zitten en verwerk mijn opvattingen in mijn boeken.’

Ik las dat u nog op oude typmachines schrijft.

Klas Östergren: ‘Ja, en ik schrijf ook nog erg veel met de hand. En dan tik ik het de volgende dag over. Ik typ ieder boek enkele keren van begin tot eind geheel opnieuw. Ik geloof dat het daardoor veel beter wordt dan op een computer. Vaak heb ik een pagina wel tien keer overgeschreven. Hierdoor word je ook moe van je eigen tekst en juist die vermoeidheid maakt je kritisch, en zelfs als ik de laatste versie uittyp verander ik nog dingen. Zo gaat de tekst door het hele lichaam heen; door je schouders, ogen, oren, hoofd. Voor mij is het een risico om op een computer te schrijven, je laat dingen staan die je zou hebben veranderd als je het zou overschrijven. En ik heb het idee dat boeken door het gebruik van de computer steeds slordiger worden.

Maar ik heb wel een computer om te kunnen e-mailen! Het is niet zo dat ik techniek wantrouw. Al heb ik tegenwoordig ook geen mobiele telefoon meer. Maar die heb ik niet nodig, want ik ben bijna altijd thuis. Soms vraag ik me af of technische vooruitgang en alle gemakken die we tegenwoordig kennen niet iets verschrikkelijk barbaars bij de mens bovenbrengen. Een auto maakt een mens dom, dat is zo duidelijk als wat. En wat een hoop onzin wordt er gekletst met die mobiele telefoons, zelfs in stiltecoupés in de trein.’

Östergren kijkt op zijn horloge. Hij moet de trein terug naar zijn woonplaats in Skåne halen. Het is een reis van bijna vijf uur. Veel Zweden nemen voor dat soort afstanden een binnenlandse vlucht. Maar hij houdt niet van vliegen en snelt naar het station.

Klas Östergren, Gentlemen & Gangsters, twee paperbacks in één band. Vertaald door Rory Kraakman. De Bezige Bij, € 39,90 (na 1 augustus € 49,90)