Zweinstein

Tovenaars, heksen, spoken, eenhoorns, weerwolven, draken, vampiers, geheime kamers, verborgen werelden: kinderen lusten er wel pap van. Bovennatuurlijke krachten, magische rituelen, bezweringen en adembenemende zoektochten brengen de lezer in een ongekende werkelijkheid. Dat prikkelt de verbeelding, brengt verstrooiing en aangename huiver. Aantrekkelijk is waarschijnlijk ook dat de tweedeling Goed en Kwaad meestal ongemeen duidelijk is, en waar griezelen een groot goed is, biedt dat een veilig houvast.

Jammer genoeg blijft veel van dit soort lectuur steken in effectbejag. Logica en waarschijnlijkheid binnen de opgeroepen realiteit zijn van ondergeschikt belang. Het gaat om kippevel en stokkende adem. Serieuze magische werelden zijn gecreëerd door Michael Ende met Het oneindige verhaal (1982) en door Otfried Preussler met De meester van de zwarte molen (1972). Margaret Mahy verweeft in verschillende van haar boeken alledaagse werkelijkheid en magie op ingenieuze wijze, zoals in De jongen met de gele ogen (1982), dat gaat over een gewone schooljongen die de jongste uit een oeroud tovenaarsgeslacht blijkt te zijn. Enigszins verwant is Harry Potter & de Steen der Wijzen van de Engelse schrijfster Joanne Rowling. Harry Potter is een wees met rode piekharen die wordt grootgebracht door een weerzinwekkende oom en tante. Op Roald Dahl-achtige wijze houden de heer en mevrouw Duffeling hun neef onder de duim, uit angst dat Harry’s magische afkomst de kop op zal steken. Maar op zijn elfde verjaardag is het onafwendbaar. Harry vertrekt naar Zweinsteins Hogeschool voor Hekserij & Hocus-Pocus, daartoe uitgenodigd door een reus op een vliegende fiets: ‘Hij had handen als vuilnisbakdeksels en zijn voeten, die in leren laarzen waren gestoken, leken wel babydolfijntjes.’ Het verplichte schooluniform bestaat uit een zwart gewaad en dito puntmuts, op de boekenlijst staan Fabeldieren en waar ze te vinden van Spiritus Zalmander en Duizend magische kruiden en paddestoelen door Philippa Zwam. Op school worden toverstokbewegingen en toepassingen van drakebloed aangeleerd. Er zijn vlieg- en bezweringslessen, het onderricht in toverdranken vindt plaats in duistere kerkers en de post wordt aangevlogen per uil. Zoals op elke rechtgeaarde Engelse kostschool wordt de rivaliteit tussen leerlingen van verschillende afdelingen flink aangewakkerd, waarbij sport een centrale rol speelt. Zwerkbal wordt er op Zweinstein gespeeld. Dat gaat op bezemstelen in de lucht. Harry blijkt een natuurtalent. Buiten de lesuren is er ook nog heel wat te beleven: het stiekem uitbroeden van een drakeëi, een geheim dat wordt bewaakt door een driekoppige hond, leraren die niet te vertrouwen lijken. Het boek is geschreven in een gedragen stijl die past bij onderwerp en sfeer. Het is het eerste in een geplande zevendelige serie en in Engeland bracht Harry Potter een aardige hype teweeg. Afgezien van de adembenemende slothoofdstukken is het griezelgehalte niet uitzonderlijk hoog. De aantrekkelijkheid ligt vooral in de besloten wereld met eigen wetmatigheden die je als lezer mag betreden, net als in het werk van bijvoorbeeld Tolkien of de Narnia-boeken van C.S. Lewis.