Zwembadpas

Zoals bij elke ouder met kleuters bepalen school-, sport- en Sinterklaasjournaal-tijden mijn dagritme. Sinds een paar maanden is daar het zwembad bij gekomen. Bij binnenkomst moet ik altijd even aan Theo Thijssen denken. Dat is omdat er een automaat staat met het opschrift:

TOEGANG MET ZWEMBADPAS

Meestal denk ik dan ook eventjes aan Ton Anbeek, letterkundehoogleraar, die de ‘zwembadpas’ waarmee Kees de jongen zich pleegde voort te bewegen eens voor een volle collegezaal heeft gedemonstreerd. Dat is nog eens literatuuronderwijs!

Thijssen beschrijft het als volgt: ‘Als je ’s goed opschieten wou; moest je voorover gaan lopen, net of je telkens víel, en dan maar met je armen zwaaien, heen en weer.’ En: ‘Voor Kees was de zwembadpas een geluk in ’t leven. Als-ie soms een verre boodschap moest en als een onbeduidende jongen langs de gracht sukkelde, dan begon-ie inééns aan de zwembadpas; en waarachtig, hij zag zich nagekeken door menigeen.’

In mijn geval is de zwembadpas een geplastificeerd kaartje dat mijn zoon in een automaat moet steken, zodat hij geregistreerd wordt, en ik bovendien zijn vorderingen kan volgen op een speciale telefoon-app. De badjuffen en -meesters lopen met iPads rond. Het is allemaal bijzonder high-tech.

Het zwembad zelf, waar ik bovenin vanaf een soort tribune de hele les kan volgen in de benauwde warmte, ziet er precies zo uit als pizzeria’s in provinciale winkelstraten, dat wil zeggen: elk stukje muur is volgekliederd met als idyllisch bedoelde uitzichten, blauwe luchten, zeegezichten, zonsondergangstaferelen. Her en der verrijzen imitatie-palmen of woekert een klimop van kunststof rond een Dorische of Korintische zuil. Alleen de mandflessen aan het plafond ontbreken, welk gemis de houten zeemeeuwen dapper en tot zekere hoogte bekwaam compenseren. Ieder moment verwacht ik dat iemand me een lauwe ciabatta met kruidenboter komt brengen.

Je moest voorover gaan lopen, net of je telkens víel, en dan maar met je armen zwaaien, heen en weer

Maar ik hoor alleen het gekakel om me heen van huisvrouwen uit het Westland (want daar speelt deze geschiedenis zich af, in een dorpje iets ten zuiden van Den Haag, een dorpje met de onwaarschijnlijke, romaneske naam Monster). Ze kleppen over scrubs, foundations, eyeliners… het is allemaal zo verschrikkelijk, een mens zou er misogyn van worden. Na afloop stappen ze in hun witte Range Rovers of soortgelijke auto’s waar je je de golden retrievers op de achterbank al bij kunt voorstellen.

Toch ontroeren die zwemuurtjes mij steeds weer. Misschien komt dat doordat ik zelf geen zwemdiploma heb. Ik vond zwemles verschrikkelijk (ongeveer even verschrikkelijk als de held van Kees ’t Hart z’n novelle Zwembad het vond in al die catacomben van kleedhokjes van het sportfondsenbad). Ik bleef eindeloos hangen in het beginnersbadje, samen met wat Chinese immigrant-kindertjes, die er ook niks van bakten en in het water pisten van angst. Op een gegeven moment wist ik van het schoolzwemmen te spijbelen.

Die ongediplomeerde zwemstatus van mij zit me eerlijk gezegd een beetje dwars. Ik heb het later, rond m’n zeventiende, wel geleerd, hoor (en hoe! naakt met een vriendinnetje in het water van de Creuse!), maar niet met de juiste slagen, die ik mijn zoon nu verwoed zie proberen. Ze beginnen hier met de rugslag, en steeds zakt hij na een paar slagen met zijn gezicht onder het wateroppervlak, waarna hij, verbeten trappelend, weer boven probeert te geraken.

‘En Shirley gebruikt altijd die lipgloss die je gewoon bij de Action kunt halen, dat werkt ook prima’, hoor ik dan weer naast me. Getergd schud ik mijn hoofd. En dan krijg ik plotseling een ingeving: ik heb mijn koptelefoontje bij me, zodat ik die Monstermevrouwen kan dempen met Mahler. De Negende. En dat werkt. Dat werkt geweldig.

Halverwege het andante comodo, als mijn zoon opnieuw op zijn rug ligt te spartelen, zoekend naar drijfkracht, vindt hij het ineens. Daar is het. En daar glijdt hij vooruit, in het kringelende water dat de lijnen op de bodem van het bad in ronddrijvende slierten verandert. Daar is het, en daar zijn ook de verrukte violen, die juichen, applaudisseren en daar, godverdomme, zijn ook de tranen. Ongemerkt zijn ze langs mijn wangen gekropen. Als ik opzij kijk – de les is bijna afgelopen en ik moet straks naar beneden om hem op te wachten met zijn Dusty-handdoek – staar ik recht in het kauwgom herkauwende gezicht van een bont getatoeëerd moedertje dat me uitdrukkingsloos aangaapt.

Ik maak me uit de voeten, en zwalk over de gangen, voorovergebogen, zwaaiend met mijn armen. In de zwembadpas.