Zwemles

Per 1 januari 2018 wordt de Nieuwe Norm Zwemveiligheid van kracht, om kinderen met zwemdiploma niet alleen plezier te laten hebben in onze baden, plassen, vijvers, poelen, meren, rivieren en zeeën, maar ook om te leren overleven bij onverwachte situaties. Niet meer de traditionele startduik voorover, maar het achterover vallen het water in.

Afzwemmen voor A gaat met lange mouwen en lange broek en pas vanaf zwemdiploma C, afzwemmen in winterjas, mag er officieel in open water worden gezwommen. De zwembadbranche wil zo de zwemveiligheid en -vaardigheid vergroten en het aantal verdrinkingen terugdringen. Goed plan, denk ik bij het lezen van het persbericht, en vlak daarna verschijnt een volgend bericht, over badmeesters die zich meer verantwoordelijk voelen na de verdrinkingsdood van het Syrische meisje Salam, in 2015.

Dan herinner ik me een eerder nieuwsbericht, deze zomer. Het was een waarschuwing van de Reddingsbrigade Nederland om niet meer te zwemmen in open water zonder toezicht. Die waarschuwing kwam na een verdrietig weekend waarin een meisje van vijf en twee jongens van acht en veertien waren verdronken. Ik neus wat rond bij dokter Google: vorig jaar verdronken er 86 mensen en volgens het CBS verdrinken er elk jaar minder mensen, maar is de groep tussen de vijf en de tien jaar (en dan vooral met niet-westerse achtergrond) oververtegenwoordigd.

Ik heb begin jaren negentig nog aan het ouderwetse schoolzwemmen gedaan en haalde zo mijn zwemdiploma. In die jaren doet negentig procent van alle basisscholen aan klassikale zwemlessen, maar aan het begin van deze eeuw gaat de financiering op de schop. In 2005 doet 57 procent van de scholen aan zwemlessen, in 2016 is het teruggelopen tot 32 procent.

Tot en met groep 5 zit ik in Zutphen op een openbare basisschool, een school die later onder de noemer ‘zwart’ geschaard zal worden. Mijn klasgenootjes hebben namen als Kamal, Hassan, Amin, Deniz, Mustafa, Adem, Leyla, Yasemin, Marvin, Kevin en Joy (Joy is het enige Hollandsche kindje in mijn klas). De zwemlessen die ik met die klas volg kun je geen lessen noemen: het zijn hysterische uitjes. Elke dinsdag rennen we gillend naar de touringcar die ons naast het schoolplein op staat te wachten en ons naar het zwembad brengt. Daar kleden we ons weer gillend om in de kleedkamers om vervolgens gillend met z’n allen het ondiepe badje in te springen, waar de drie badmeesters die ons op staan te wachten hun kansen op een burn-out terstond zien groeien.

We gillen niet omdat we hysterisch van blijdschap zijn maar omdat we doodsbang zijn, voor water. Water dat we bij elkaar in de ogen spetteren, water dat we ophoesten wanneer een klasgenootje ons pardoes kopje onder duwt. We zijn het schoolvoorbeeld van migrantenkinderen in de jaren tachtig en negentig: geen van ons kan zwemmen of wil dat. Zwemmen is verdrinken, houden we elkaar voor, zwemmen is de donkere zee met gruwelijke beesten die vanuit de diepte opduiken om onze beentjes eraf te bijten (ja, de speelfilm Jaws deed het goed bij ons), zwemmen is ‘HORROR-VERZUIPEN-DOOD!’ Het enige dat mij in die jaren overeind houdt is dat die angst door mijn klas collectief wordt ervaren, op die manier slepen we elkaar er doorheen. De zwemlessen verlopen uitermate chaotisch, er wordt gehuild, er worden smeekbeden tot de Allerhoogste gepreveld omdat die verrekte kurkenbandjes ons echt niet boven water houden en om de haverklap roept er wel iemand dat hij of zij hier ter plekke zal verdrinken, o help me, o Allah, o alstublieft meneer de badmeester.

In groep 6 verander ik van school en kom ik in een klas die een compleet andere kijk op schoolzwemmen heeft. De eerste keer dat ik met mijn klas van de RK Basisschool de Achtsprong te Zutphen het Graaf Ottobad bezoek (hetzelfde zwembad waar ik zulke doodsangsten heb doorstaan) staat voorgoed in mijn geheugen gegrift en zou de basis kunnen vormen voor een mooie anekdote, maar lang verhaal kort: al mijn klasgenoten kunnen zwemmen en ik niet. Ik loop met knikkende knietjes alleen naar het ondiepe bad terwijl zij om beurten de traditionele startduik maken in het diepe bad.

Ik krijg dat schooljaar zwemles van een badmeester die eerst heel geduldig en met zachte hand mij wil leren zwemmen, maar tenslotte zijn geduld verliest en er opzichtig van baalt zijn tijd te moeten verdoen met mij, het Turkse jochie dat het water niet in durft. Terwijl zijn collega’s het ene na het andere zwemdiploma uitdelen in het diepe bad staat hij hier naar een proestend gastje te kijken, dat in paniek raakt wanneer hij met zijn hoofd onder water moet en huilt als er over watertrappelen werd gesproken.

‘Hoe doe je dat dan als je op vakantie bent in Turkije, daar is toch ook zee?!’ roept hij me een keer toe, waarop ik snotter: ‘Maar wij gaan naar familie in de grote staaaad!’

Maar toen was daar plotseling die nieuwe badmeester, die misschien beter bij me zou passen.

Het was een Marokkaanse man, met een grote bos krullen die ik me nog altijd voor de geest kan halen.

En ik had meteen door dat dit door iemand bedacht was, misschien van het zwembad, misschien van mijn school (och, de smoesjes die ik verzon om maar niet mee te moeten die bus in naar dat ‘HORROR-VERZUIPEN-DOOD!’), maar iemand ergens had bedacht dat de allochtone badmeester het allochtone kind dan wel zou kunnen leren zwemmen. Zwemmen kon ik niet, maar op mijn achterhoofd gevallen was ik evenmin. Het maakte de vernedering alleszins compleet.

Maar het deed zijn werk. Ik nam me voor dat ik het volgend schooljaar moest en zou kunnen zwemmen, ik raapte mezelf zo goed en kwaad als maar kon bij mekaar en trotseerde in dat ondiepe bad de ‘HORROR-VERZUIPEN-DOOD!’ tot ik vlak voor de zomervakantie warempel een stukje op mijn rug kon zwemmen en een seconde of vijftien watertrappelen.

Die zomervakantie gingen we voor de verandering niet op familiebezoek in Turkije, maar in Midden-Frankrijk, in de Auvergne. Daar namen neven en nichten ons van het ene naar het andere meertje en had ik onvervalste waterpret. Ik deed voor het eerst de traditionele startduik, ik zwom onder water met mijn ogen open en waande me na die vakantie een meerman; een maand na de eerste zwemles van het nieuwe schooljaar haalde ik mijn zwemdiploma.

Inmiddels zijn we twintig jaar verder en ben ik van mijn watervrees af; vorige winter draaide ik zelfs mijn eigen onderwaterstunts in een tv-serie en was voor mij de overwinning compleet. Mijn zoon van drie zit sinds een tijdje op peuterzwemmen, maar is nog wel bang om kopje onder te gaan. Dat zal hij van mij hebben. Ik hoop vurig dat het aantal scholen dat aan schoolzwemmen doet weer richting de negentig procent gaat. Niet om de badmeesters nog verder op de proef te stellen, maar omdat we leven in een land dat voor de helft onder zeeniveau ligt, tussen de plassen, vijvers, poelen, meren, rivieren en zeeën; omdat kunnen zwemmen een onvervreemdbaar onderdeel van de Nederlandse identiteit is.