Zeventig miljoen euro, dat was de schatting van de vastgoedspecialisten van de Franse krant Le Figaro voor het ‘hotel’ in de Parijse rue de Solférino. Het gebouw was wel niet zomaar een koopje: het werd beroemd als hoofdkantoor van de Franse socialisten, die er in 1980 hun intrek namen onder de befaamde François Mitterrand. In 2017, nadat de Parti Socialiste op de vierde plaats belandde in ’s lands presidentsverkiezingen, werd er besloten het pand aan een notaris toe te vertrouwen. Het socialistische hoofdkwartier ging in de uitverkoop.

Weinig anekdotes geven een wranger beeld van de neergang van de Europese massapartijen dan het bericht in Le Figaro. Dat is al lang niet meer een exclusief Franse kwestie. Begin september kondigde de voorzitter van de Vlaamse socialisten Conner Rousseau een nieuwe naam voor zijn partij aan: het sloganeske ‘Vooruit’. Een paar dagen later opperde liberaal politicus Mathias De Clercq dat hij zijn partij ook tot een ‘beweging’ wil omvormen. De Clercq kreeg even later bijval van de Vlaamse christen-democraat Joachim Coens, die ook een facelift wilde voor zijn politieke familie. Zijn partij zou een ‘netwerk’ worden dat ook niet-leden erbij betrekt en consulteert, met een mogelijke naamsverandering als gevolg. ‘Samen’ was alvast een optie die Coens in een gesprek met de Vlaamse krant De Zondag vermeldde – met ‘Samen Vooruit’ dus nu als coalitiemogelijkheid.

De Vlaamse partijvoorzitters volgen daarmee buitenlandse voorbeelden. Italië kent met de Vijfsterrenbeweging zijn eerste echte digitale netwerkpartij. Het Spaanse Podemos stileerde zichzelf al tot een ‘partijbeweging’. In Frankrijk stampte president Emmanuel Macron La République en Marche! uit de grond, waarmee hij een hele generatie politieke maagden naar het parlement stuurde. In het Verenigd Koninkrijk werd de zogenaamde Brexit Party in de verkiezingen van 2018 gewoon als vennootschap geregistreerd; voorzitter Nigel Farage cureerde zelf de lijst met kandidaten. Die tendens is er lang niet alleen op rechts. In 2017 pochte Frans politicus Jean-Luc Mélenchon nog met het feit dat zijn partij La France insoumise (LFi) geen echte leden kende.

Ook in Nederland beginnen partijen zichzelf als ‘bewegingen’ te heruitvinden. GroenLinks stelt in een recent communiqué dat ze ‘meer dan een partij (zijn)… wij zijn een beweging. En met die beweging laten we regelmatig zien: wij zijn met meer.’ Zowel in Nederland als in België stellen analisten zich nu openlijk de vraag of de middenpartijen het volgende decennium overleven, en, zo nee, wat er dan na die partijdemocratie zou komen.

Overal lijkt de klassieke politieke partij ten dode opgeschreven. In de plaats komen er bewegingen, electorale start-ups en losse verkiezingsvehikels, die surfen op de nieuwe digitale golven en minder gebonden zijn aan een traditionele achterban. Tegen het eind van zijn leven vond de Poolse socioloog Zygmunt Bauman al een mooi woord uit voor die nieuwe politieke vorm: ‘de vloeibare democratie’. Die vorm schoof Bauman in een langer historisch traject. In de negentiende eeuw spraken Marx en Engels nog over moderniteit ‘als het proces waardoor al het vaststaande verdampt, al het heilige wordt ontwijd’, de eerste onttovering van de wereld.

Die moderniteit bracht ook onzekerheden met zich mee, en riep tegenreacties op vanwege gedupeerde slachtoffers: uitgebuite arbeiders, geruïneerde middenstanders, noodlijdende boeren. Het geheel van de tegenreacties schiep voor Bauman in de twintigste eeuw sociaal burgerschap in welvaartsstaten en groepsidentiteiten in massapartijen: symbolen van een nieuwe ‘vaste’ of ‘solide moderniteit’. Maar halverwege de twintigste eeuw begonnen die ‘vaste’ vormen van de moderniteit te verdampen. De grote instituten die het leven tussen de burger en de staat hadden vormgegeven, van grote bedrijven tot partijen, begonnen te versnipperen of verloren hun bepalende rol. De tweede grote onttovering zette zich door. Twintig jaar later verscheen de liquide democratie als de ideologie van de toekomst, vooral voor politici die nog verkiezingen willen winnen.

Electoraal opportunisme is verre van de enige drijfveer voor de nieuwe bewegingskoorts. Zoals journalist Jan-Frederik Abbeloos onlangs aangaf in De Standaard vindt de recente bekering tot het bewegingsmodel voor veel partijen plaats onder een onheilspellend gesternte: een langdurige daling van het aantal partijleden en een continue krimp in het kiezersaantal. België is daar een schrijnend voorbeeld van. De Vlaamse christen-democraten hadden nog een imposante 130.000 leden in 1990. Nu hebben ze er 43.000. De socialisten gingen in dezelfde periode dan weer van 94.000 naar 37.000; de liberalen van 71.000 naar 54.000. De nieuwe marktleiders doen weinig om die trend te keren: de Vlaams nationalisten bij de n-va sukkelen al jaren rond de 40.000 leden, terwijl Vlaams Belang amper de helft van dat aantal bereikt met iets meer dan 19.000.

België biedt hier enkel een miniatuur van een bredere Europese trend. De Duitse spd ging van een miljoen leden in 1986 naar ruim 400.000 in 2019 en de Nederlandse sociaal-democraten van 103.760 naar 41.000 in 2021. Overal zien we hetzelfde verhaaltje: de partij overleeft als leverancier van beleid, maar wordt intern leeggevreten of geparasiteerd door reclamejongens.

Alternatieven voor de partij zijn er ondertussen ook bij de vleet. De bewegingsvorm en het peilingbureau bieden vandaag een soepeler model dan de als sloom gepercipieerde partij, zowel voor politici als voor burgers. Die laatsten hoeven zich niet bij langdurige, onvrijwillige associaties in te schrijven, terwijl de eersten minder heisa en inspraak op hun congressen tolereren. Conner Rousseau wenst zelf bij de volgende Vooruit-partijdag een ‘start-up-sfeertje’ te zien. Hij pronkt met volgers op Instagram. Daarin lijkt hij op de extreem-rechtse vedette Dries Van Langenhove, die onlangs zelf met een mediakanaal begon geïnspireerd door Café Weltschmerz. Partijen adverteren onderwijl voor ‘Social Media Managers’ of huren influencers in. Die bieden goedkope voelsprieten voor een zich steeds verder in de verte verwijderende maatschappij, begaan met Netflix, internetrellen, cultuuroorlogjes of hun slopende werkuren.

De partij overleeft als leverancier van beleid, maar wordt intern leeggevreten door reclamejongens

De neergang van de partijdemocratie dient vooreerst economisch verklaard te worden. Niet voor niets werd de oude massapartij vaak vergeleken met de fabriekshal: beide hadden een strakke, bijna militaire organisatie waarbij militanten en leiders een duidelijke hiërarchie en takenverdeling kenden. Die partijen verdedigden ook specifieke belangengroepen in de samenleving: werknemers en werkgevers, de middenstand of hogere beroepen, protestanten of katholieken. De-industrialisatie en kenniseconomie sloegen al de bodem weg onder die oude organisatievormen. In plaats van werknemers waren er nu kleine en grote ondernemers, in plaats van het proletariaat kwam het zogenaamde ‘precariaat’.

Tegelijkertijd verwerd de financiële sector tot de voornaamste groeimotor van westerse economieën. Dat maakt klassenstrijd op de werkvloer minder concreet – leningen gingen boven lonen. Inkomenskwesties worden minder politiek, en valuta en vastgoedkapitaal zijn de laatste dertig jaar steeds lucratiever geworden. Dat nodigt niet bepaald uit tot klassenstrijd, maar eerder tot de hoop op democratisch rentenieren. Als mensen eenmaal onroerend goed in handen krijgen slaan ze onversaagd aan het speculeren.

De crisis van 2008 zou een einde moeten hebben gesteld aan die valutakoorts. In plaats daarvan haalden centrale banken hun bazooka’s boven en joegen golf na golf aan liquiditeit door het Europese bankwezen. De rentevoet bleef zodoende laag en mensen konden blijven lenen, zonder ooit groei aan te vuren. Subjectief leren burgers dan ook anders over politiek denken: in plaats van een strijd over collectieve projecten wordt het een ratrace om slinkende middelen, waarbij rentenieren de gunstigste optie lijkt.

De partijdemocratie is misschien wel een van de meest onderschatte slachtoffers van de nieuwe groeiloze economie. Belangenpolitiek veronderstelt immers een overschot om te verdelen, niet alleen het vormen van een kartel om de rest van de samenleving uit te plukken. En hoe minder de economie oplevert, hoe meer politici hun beleidskeuzes aan technocraten delegeren. Het resultaat is wat Ewald Engelen onlangs ‘gedachteloos besturen’ noemde.

Ondertussen zet het nulsomdenken ook het migratiedebat onder hoogspanning. In een economie die weigert te groeien, is iedere immigrant die erbij komt een mogelijke last op de staatsschuld. Ze zijn ook concurrenten op de huur- en arbeidsmarkt. Dergelijke druk roept eisen tot interventie op vanwege een ‘inheemse’ arbeidersklasse, die zich ook op het vlak van het opleidingsniveau benadeeld voelt en het moet afleggen tegen de groeiende ‘diplomademocratie’.

Nederland heeft niet voor niets een van de meest flexibele arbeidsmarkten in Europa. Die flexibiliteit zorgt bij veel zzp’ers ook voor een hang naar de markt: de vvd voorziet mogelijkheden en belooft toegang tot krediet. Al sinds jaren tellen de Nederlandse liberalen trouwe flexwerkers in hun kamp. Die flexibiliteit heeft ook politieke gevolgen. Burgers die steeds maar van de ene naar de andere tijdelijke aanstelling surfen, bouwen op de werkvloer geen duurzame relaties op. Collega’s zijn geen ware medewerkers meer. Alleen de familie, de vriendenkring en het internet bieden nog betrouwbare sociale sferen. Die drie polen bevorderen ofwel de meest concrete óf de meest abstracte solidariteit: families als verzekeringsfondsen en het internet als een volledig vrijwillige vereniging.

Op een dergelijke basis is het lastig politiek voeren voor partijen. De gevolgen zijn ook voorspelbaar. Terwijl de Nederlandse staat niet meer deelneemt aan het economische spel blijft alleen nog maar migratiecontrole over als arbeidsbeleid. Dat terwijl alle indicatoren nu juist wijzen op de groeiende opgang van minderheden in de Nederlandse samenleving, van het onderwijs tot de professionele beroepen. Met ‘de allochtoon’ gaat het steeds beter en hij lijkt steeds sterker op zijn buren – wat de Baudets van deze wereld ook mogen verkondigen.

Maar voor Geert Wilders is het glashelder. De staatsschuld, de lage lonen en het gebrek aan sociale woningen laten zich allemaal verklaren aan de hand van het islamvraagstuk. Moslims werken niet hard genoeg, souperen de sociale woningen op en leven van uitkeringen. Doe de grenzen dicht, smijt de ‘Marokkanen’ buiten, en Nederland wordt weer het naoorlogse paradijs dat het ooit was.

Wilders’ nulsompolitiek en zijn afkeer van de partijdemocratie gaan dus hand in hand. Daarmee worden de autoritaire mogelijkheden van die nieuwe liquide democratie ook steeds duidelijker, en de verschillen met het historische fascisme. Dat fascisme was zelf een product van de massapolitiek, vooral toen Europese elites na de Eerste Wereldoorlog verplicht werden het stemrecht uit te breiden. Dat stemrecht kwam vooral een robuuste socialistische beweging ten goede, die zijn kaderleden nu parlementen in kon sturen. Als respons begonnen conservatieve elites zelf partijen en massabewegingen uit te bouwen, die de elite konden democratiseren alsook de democratie een elitair kantje bezorgen.

Wilders’ nulsompolitiek en zijn afkeer van de partijdemocratie gaan hand in hand

Maar het verdwijnen van de socialistische dreiging eind twintigste eeuw desorganiseerde ook de extreem-rechtse tegenstander. De Duitse schrijver Heinrich Geiselberger stelt zelfs dat zonder ‘de vijanden van het socialisme’ rechts ‘alleen nog maar het schrikbeeld ervan kan oproepen’. Geiselberger spreekt samen met de Hongaarse filosoof Gáspár Tamás dan ook van ‘post-fascisme’: een poging om burgerschap minder universeel te maken en te beperken tot nationale grenzen, maar zonder de organisatorische slagkracht die fascisten in de twintigste eeuw aan de dag legden. Nieuwrechts is dan ook ‘geatomiseerd, vluchtig, zwermachtig, met poreuze grenzen tussen ernst en serieusheid, oprechtheid en ironie’.

De nieuwe politiek is vooral een stuk informeler, zowel op links als op rechts. De meute die op 6 januari haar onvoorwaardelijke steun aan Trump betuigde heeft niet eens geformaliseerde ledenlijsten. QAnon en de anti-lockdownbeweging zijn een subcultuur die vooral op blogs, Instagram en Facebook-groepen floreert, in een luguber opbod van samenzweringstheorieën. Er zijn natuurlijk prominente en minder prominente QAnon-figuren – influencers, zeg maar. Maar hun leiderschap is niet officieel of door stemmen gemandateerd. In plaats van een militair gedrilde massa zien we eerder een zwervende meute, opgehitst door een selecte kliek van zelf geselecteerde activisten.

Die informaliteit uit zich ook economisch. De voorbije maand troggelde Trump nog duizenden dollars af van zijn volgers en bleef hij donaties bij elkaar harken, zonder ooit een duidelijke partijstructuur uit te bouwen. De socioloog Max Weber merkte in 1920 al op hoe dergelijke charismatische leiders hun volgers en helpers niet met vaste salarissen uitbetaalden, maar eerder de ‘buit verdeelden’ en dan maar ‘donaties doorgaven aan de leider’. Daarmee was charismatisch leiderschap ook door en door onstabiel: de troonopvolging kon niet zomaar gegarandeerd worden voor de meute, die nu op zoek moest naar de volgende heiland voor haar beweging.

Die meute heeft ook nog maar weinig gemeen met de massieve mensenstromen die de Oostenrijkse schrijver Elias Canetti in zijn in 1938 gepubliceerde Massa en macht beschreef. Hij schreef het boek als reactie op de grote arbeidersopstanden die in de jaren 1930 een agressieve rechtse tegenreactie opriepen, en twee georganiseerde massabewegingen tegen elkaar opstelden.

Eerder dan een ‘massa’ lijken de QAnon-troepen en de anti-lockdownprotesten op ‘zwermen’: een groep die op korte en krachtige stimulansen reageert, aangestuurd door charismatische influencers en digitale demagogen. Iedereen kan zich aansluiten bij een Facebook-groep met QAnon-sympathieën; de kosten van het lidmaatschap zijn zoals op alle digitale media erg laag. ‘Stop the Steal’, ‘Save the Children’ en ‘Lock Her Up’ zijn ook tamelijk universele, lege slogans. Sommige huismoeders die bezorgd zijn over kindersmokkel werden daarmee al QAnon-groepen in gelokt.

De organisatie van de QAnon-meutes vertoont daarmee ook een ongemakkelijke parallel met de antiracistische protestbewegingen van deze zomer. Moreel zijn beide bewegingen natuurlijk lang niet hetzelfde – de ene verzette zich tegen brutaal politiegeweld, de andere wilde kindermoordenaars uit het Congres en het Binnenhof. Organisatorisch lijken beide beestjes wél op elkaar: ze kennen geen ledenlijsten, leggen moeilijk discipline aan hun volgers op en formaliseren zich niet in grote organisaties. Protestacties zijn zoals een nachtfeest waarvoor er een sms’je wordt verzonden, waarna een willekeurige groep mensen zich naar de juiste locatie begeeft. Reeds in 2011 sprak de Italiaanse socioloog Paolo Gerbaudo over ‘zwermen zonder korf’: een troep die vrijblijvend van de ene naar de andere bloem zwerft, zonder ooit een vaste basis op te bouwen.

Leiders kunnen die zwervende zwermen natuurlijk proberen te choreograferen – met tweets, televisieoptredens, of Russische bots. Maar die choreografie werkt nog geen vaste organisatie in de hand. Dat is vooral een gevoelige verschuiving tegenover de zuilendemocratie. Terwijl naoorlogse massapartijen een strak korps met middenvelders en verdedigers kenden, zijn de nieuwe populistische partijen vooral rond hun exclusieve sterspelers gebouwd. Die bezetten doorgaans de spitspositie in een medialandschap dat even volatiel als winstgedreven blijkt. De rest van de partij wordt dan tot tribuun omgeschoold, die de voorzetten moet geven of het doel verdedigen tegen mogelijke missers. Het cureren van een Instagram- of Twitter-pagina is maar één voorbeeld van dat sterrendom, kiekjes in societybladen een tweede. De populistische ‘hyperleider’ (ook een term van Paulo Gerbaudo) is immers een geboren mediadier.

Kan die oude partijdemocratie zich nog handhaven of bewapenen tegen de zwermen, troepen en meutes die aanlopen uit de digitale democratie? En indien ja, met welke middelen? De vloeibaarheid van de nieuwe kiezersmarkt is een natuurlijke visvijver voor marketeers. Grote datasets en statistieken wekken al snel een gevoel van zekerheid op, alsof de onvoorspelbaarheid van de nieuwe kiezersmarkt met cijfers bedwongen kan worden. Dat die traditionele partijen zelf al hun leden kwijt zijn, wordt daarbij al te vaak onbesproken gelaten.

Wat zou het vergen om ze terug te krijgen? Het schrappen van partijdotaties, of gewoon een betere regionale verankering? In het succes van extreem-rechtse krachten als Vlaams Belang of Forum voor Democratie schuilt tenslotte ook een instinctieve verwerping van een verzuild partijlandschap dat zijn bedrading in de maatschappij kwijt is, maar nog steeds een groot deel van het beleidspersoneel levert. Die loskoppeling kan niet zomaar met een naamverandering ongedaan gemaakt worden, of met wat handige influencers.

Of de liquide democratie de uitdagingen van de 21ste eeuw aankan, van klimaat- tot coronacrisis, is twijfelachtig. Toen de Vlaamse partij Groen in 2019 naar haar plannen omtrent het afschaffen van bedrijfsauto’s gevraagd werd – een bijna onvermijdelijke stap in klimaatbestrijding – werd er al snel afstand genomen van een confrontatiepolitiek. En in plaats van dat de staat zich in de coronacrisis als algemeen belang opstelt, werd er in België geopteerd voor een ‘ploeg van elf miljoen’ die vooral uit individuen bestaat. Die individuen moeten uitgeschreven gedragsregels volgen en kunnen uiteindelijk alleen met persoonlijk moralisme bestuurd worden.

Het gevolg laat zich voelen in samenzweringstheorieën over pedofielen op het Binnenhof en aanvallen op vaccinatiestations, de droefste symptomen van onze gedesorganiseerde democratie. Partijen die alleen maar besturen maar niet meer vertegenwoordigen: dat is een probleem dat je niet oplost door je hoofdkwartier voor zeventig miljoen te verkopen.