Zwevende kiezer

Op Tweede Paasdag lokte de Anton Philipszaal in Den Haag me naar binnen met een ‘Parijse Pianosalon’. De bedoeling was dat daar de glorieuze dagen van de Parijse kunstsalons weer tot leven kwamen, met Frédéric Chopin en Franz Liszt achter de vleugel, met drank en driftige gesprekken, duizelingwekkende duikvluchten van de geest terwijl de atmosfeer rilt van verrukking en al je lichaamscellen juichen om het lentelicht.
Ik belandde in een sfeerloos, donker zaaltje, met een getekend Eiffeltorentje tegen een wand geprojecteerd. Alle bezoekers hadden grijs haar. Het had evengoed de gezelschapsruimte van verzorgingshuis Weltevreden kunnen zijn.
De sfeer leek ook een beetje op literaire lezingenavondjes in de bibliotheken van Dordrecht of Goes. Het begint me een beetje dwars te zitten: ik ben een fel liefhebber van muziek en literatuur, en merk dat die werelden − die toch bij uitstek geschikt zijn om de zinnen te elektrocuteren en de sterren in as te leggen − steeds meer veranderen in verstofte cultuurreservaten van nette en vooral oude mensen.
Ook mensen die aan universiteiten lesgeven over kunst merken dit. Zo schreef kunstsocioloog prof. Hans Abbing een provocerend pleidooi om de duffe sfeer rond klassieke muziek open te breken en klassieke inloopconcerten in Paradiso te organiseren, waar jongeren met bier en chips in en uit kunnen lopen. Het gaat immers steeds meer om de beleving van ‘een leuke avond’, en de verstofte ivoren-toren-esthetiek met die heilige stilte is verre van leuk.
Literatuurhoogleraar Thomas Vaessens is zich ook van dit veranderde cultuurlandschap bewust. De studenten die hij dagelijks ziet, leven al lang in een andere wereld dan die van autonome mooischrijverij, ze willen boeken die betrokken zijn bij actuele maatschappelijke debatten, die stelling nemen, en daarbij staat die achterhaalde muffigheid als compositie, vorm en stijl alleen maar in de weg.
De provocaties van beide hoogleraren hebben de reacties losgemaakt waar zij ongetwijfeld op hoopten: verontwaardigde verdedigingen uit de culturele enclave. Ineens blijken er twee strenge kampen te zijn. Wie niet tégen Vaessens is, is vóór hem.
De cultuurrebellen hebben voor een kleine polarisering gezorgd, en ik voel me in dat spanningsveld een beetje een zwevende kiezer.
Het ongemak zit ’m erin dat ik hun diagnoses wel kan meevoelen, vooral als ik in Dordrecht, Goes of de Anton Philipszaal zit. Eveneens begrijp ik hun keuze voor een absurd overtrokken stellinginname, om verzekerd te zijn van weerklank en debat. Minder begrip heb ik echter voor de volmaakte imbeciliteit van hun remedies.
Zoals Hans Abbing beweert dat concertbezoekers gerust mogen praten en eten in de zaal omdat ze ‘toch niet elke noot hoeven te horen’, zo stelt Vaessens dat het voor romans niet meer van belang is hoe ze geschreven zijn maar wat ze beweren, welk moreel standpunt de auteur inneemt.
Allebei die opvattingen richten zich tegen exact datgene wat nu juist essentieel is aan die kunstvormen. De romankunst kan veel gebieden bestrijken behalve nu juist dat van de morele stellingname. Elke kunstvorm heeft een eigen deur naar de realiteit en het schitterende van de roman is dat die de menselijke natuur aan een onderzoek onderwerpt waarbij onbekende dilemma’s, tegenstrijdigheden, wereldbeelden en tekorten aan het licht komen.
Reduceer je de roman tot een vehikel voor stellingen, dan verplat je haar tot pamflet, tot uitgesponnen opiniestuk. Betekent dit dat een roman zich niet met moraal inlaat? Allerminst. Misdaad en straf laat je meeleven met een moordenaar, die aan het einde een loutering ondergaat. Lees je dit boek als een werk waarmee Dostojevski zijn publiek een moreel lesje wilde leren, dan heb je er niets van begrepen, en ontgaat je datgene waar alleen de roman toegang toe geeft: het avontuur op onderzoek te gaan in de menselijke natuur.
In een roman staat de stem van ieder personage in interactie met tegenstemmen, relativeringen, ironische ondermijningen, zodat geen enkel standpunt absoluut is, maar pas betekenis krijgt in relatie tot andere stemmen.
Zoals het in de muziek essentieel is dat je alle noten in de polyfonie hoort, en je die kunstvorm tenietdoet als je die terugbrengt tot plat behang in Paradiso, zo ontken je de kracht van de roman als je haar afplat tot traktaat.
Abbing en Vaessens hebben wel degelijk iets belangrijks losgemaakt: het besef dat het in het veranderde cultuurlandschap nodig is om jonge mensen te leren wat kunst ook al weer is, hoe het hun levens kan verrijken. Het is alleen jammer dat de hoogleraren dat zelf niet kunnen uitleggen, terwijl dat wel degelijk hun vak is.