Zwierige rokken

Boek van de maand: Charlotte Mutsaers’ ‘Zeepijn’, gekozen door de jury bestaande uit Pieter van Os, Sander Pleij, Barber van de Pol en Jacq Vogelaar. De andere mededingers staan op de volgende pagina.

ELK VAN DE zesendertig hoofdstukken van Mutsaers’ Zeepijn zou als demonstratie kunnen dienen van haar werkwijze. Ik zeg ‘hoofdstukken’, bij gebrek aan beter. Het zijn essays maar ook weer niet helemaal, althans niet volgens het boekje; het zijn vertellingen, beschouwingen, bespiegelingen, demonstraties, vignetten; je kunt ook zeggen dat ze een eigen genre vormen, dat van de tierelantijnen. De stukken sluiten niet allemaal direct op elkaar aan maar horen wel bij elkaar, sommige hoofdstukken zouden passen in een losbladige autobiografie; het boek heeft misschien nog het meeste weg van een logboek, waar van alles in kan. Richtsnoer hierbij is de verbinding tussen dennen en zee, tussen woorden als zee, pijn, dennen en Kerstmis. Je zou deze aanduidingen meteen moeten nuanceren door te laten zien hoe ze in het boek zelf figureren, want alleen daar hebben ze betekenis. 'Tierelantijnen’ bijvoorbeeld is een woord dat volgens Mutsaers door Eric de Kuyper gebruikt zou worden om zijn misprijzen uit te drukken voor kerstversierselen in de stad waar beiden een tweede huis hebben, Oostende.
Voor Mutsaers is een boom die niet versierd is geen kerstboom; en als dit boek een boom wil zijn, een den - die in gestileerde vorm, het omslag siert - dan bestaat die niet alleen uit een dikke vacht van takken, meerdere lagen over elkaar zelfs, maar is ook nog eens zo volgehangen dat de versierselen soms belangrijker zijn dan de takken. En aan een boom zo volgeladen… Als het beeld van de denneboom de indruk wekt dat het om steile, tot op zekere hoogte zelfs kale ideeën zou gaan, dan is het woord 'den’ daaraan schuld, of de kerstboom waarvoor de den zich, door z'n simpele vorm en handige ophangmogelijkheden, nu eenmaal goed leent. De den is maar een van de pinus-soorten; de spar is de meest schematische variant; de pijnboom met z'n kronkelende stam en verwaaide takken en tooi de meest ingewikkelde.
Als de dichter Ponge met zijn 'Carnet du bois de pin’ (1940) Mutsaers in haar belangstelling voor de den heeft gesterkt - in het boek staat zelfs het verslag van een pelgrimage naar het bos in Frankrijk waar Ponge in volle oorlogstijd de dennen bestudeerde - dan gaat het misschien meer om Frans grenen, een wat grovere den dan de spar. In het herfstseizoen kun je in Frankrijk goed zien hoe de altijd groene den de veelkleurigheid van de andere bomen waar hij tussen staat accentueert. Zo bestaat er in de Jura een 'Route des sapins’ waar de sparren afgewisseld worden door grove dennen, mastbomen, pijnbomen en wat voor varianten van de pinus ook. Mij deden de hoofdstukken van Zeepijn meer denken aan de zwierige rokken met gekrulde punten van de soort den die veel vaker in Frankrijk voorkomt, maar waarvan Mutsaers zelf geen beschrijving geeft, al staat die wel in het boek afgebeeld. Ook de titel verwijst naar een heel andere boom dan de driehoekige spar. In de titels van drie boeken Kersebloed, Paardejam en Zeepijn zit systeem: het zijn vreemde woorden die een letterlijke betekenis hebben, of lijken te hebben want het is moeilijk te zeggen wat ze betekenen. Vroeg of laat vertelt Mutsaers wel hoe ze eraan gekomen is, maar de concreetheid van de eerste associatie - de zee doet pijn, er is zeeziekte en er is zeepijn - verdwijnt niet wanneer je weet dat met zeepijn een pijnboom aan zee bedoeld is, integendeel: de pijn wordt er alleen maar concreter, getormenteerder, kronkeliger, eenzamer door.
'De zeepijn heb ik zeer hoog’, zegt Mutsaers in het gesprek dat zij met haar alter ego Blanche de Craeyencour over het boek voert - het laatste en tevens uitvoerigste stuk uit de bundel - 'omdat hij de enige den is die verticaliteit met horizontaliteit weet te combineren. Doelgerichte grilligheid.’ Het laatste is een van de vele keren dat iets wat zij beschrijft tevens een beeld geeft van haar eigen positie en benaderingswijze. En omdat zij het al op andere plaatsen heeft gehad over 'verticalen met heimwee naar zee’, over 'de verticale club der recht omhoogstrevende, solitaire pijnbomen’, wordt de titel al dichter en dichter, en raakt de pijn steeds verder verwijderd van de gecoiffeerde den als keurig kuddedier.
NET ALS IN de vorige bundels verwijst Mutsaers veelvuldig naar schrijvers en kunstenaars die haar stimuleren. Zo creëert ze haar eigen familie zoals ze in dit boek ook de dennen haar tweede vader en de zee haar tweede moeder noemt. Oostende is de stad van haar keuze, Frankrijk het land waar ze werkt, en het autobiografische in haar boeken bestaat niet uit beschrijvingen van momenten uit haar reële leven, maar uit hoofdstukken van een tweede leven - dat op papier. Je zou kunnen zeggen dat ze daarin haar leven vermaakt. Uit de nalatenschap van haar ouders dook een tekening van haar uit 1948 op, gemaakt op tweede kerstdag. Er staat een kerstboom op, zonder naalden en top. Ironisch maar volstrekt serieus schrijft ze nu: 'Ik wil maar één ding: de top en de naalden terug. Daarom ben ik zo vaak in het bos te vinden of op zee in de top van een mast. Daarom ben ik me ook gaan verdiepen in literair dennegroen.’
'Spoorzoeken’ is een woord dat Mutsaers graag gebruikt voor haar ogenschijnlijk grillige omwegen. En inderdaad gaat ze de sporen na van anderen die haar in een bepaalde richting voorgingen, de solitaire verticalen. Ze is op zoek naar het geheime verband tussen dingen waarop de kinderlijke blik gericht is - een blik waarvan zij zegt dat ze die niet zomaar terugvindt maar bezig is te ontwikkelen. Ze is vooral op zoek naar het ontbrekende deel, hier verbeeld in de naalden en de top van haar kinderboom.
In een stuk over Peenhaar van Jules Renard schrijft zij: 'Hoe slaagt iemand er in hemelsnaam in om zonder een enkele klacht en zonder zichzelf nadrukkelijk als slachtoffer voor te stellen het dodelijk gemis uit zijn jeugd vorm te geven?’ Op die vraag is Zeepijn haar antwoord.
IK BEGON MET te zeggen dat elk hoofdstuk wel iets laat zien van de 'werkwijze’ van Mutsaers, maar voor werk kun je evengoed leven, kijken, denken, lezen, schrijven invullen, of liever een woord dat al die activiteiten omvat, elke ervan een vorm van reageren, met de nadruk op vorm. Een voorbeeld: een kort hoofdstuk, met de lange titel 'Een vis in de vorm van een gedicht in de vorm van een vis’. Eerst een loflied op een echt beeldgedicht, 'Fisches Nachtgesang’ van Christian Morgenstern: 'Een vis in de vorm van een gedicht. Het gedicht is niet symbolisch. Het forceert geen diepgang. Het laat de geheimen van de diepzee met rust. Het bezit strofen noch metaforen. Alleen muziek. Een dennenappel die een liedje zingt: Stille nacht, Heilige nacht. Hoe mooi!’ Het beeldgedicht past vooral ook door de titel perfect bij de voor Mutsaers belangrijke associatie tussen het ruisen van dennebomen en de zee. En het komt maar wat goed uit dat in Oostende aan zee de kerstboom zo'n vooraanstaande plaats inneemt dat voor de schrijfster Kerstmis en Oostende bijna synoniem zijn geworden. Het beeldgedicht met beeldrijm krijgt een ereplaats in Mutsaers’ boom, als een zeldzaam voorbeeld van een gedicht met poëzie, en om dat toe te lichten citeert ze een poëem van Adam Czerniawski. De eerste regel luidt: 'Hij schiep een gedicht in de vorm van een vis.’ Vervolgens komt het gedicht om in een vormloze brij van dikke woorden en pompeuze regels, een schoolvoorbeeld van wat Mutsaers op andere plaatsen 'ronron poétique’ noemt, geronk. In een lezing geeft Mutsaers diverse voorbeelden van manieren van denken en uitdrukken die de tover van de poëzie teniet doen. Zeepijn is een grote demonstratie van wat Mutsaers als tegengif ziet voor rechtlijnigheid, abstract denken en quasi-diepzinnige metafysica: een flexibele, concrete, kronkelige verbeelding. De zeepijn is daarvan het zinnebeeld.