Ger Groot

Zwijgen

Ergens op mijn zolder moet een Vlaamse roman liggen die halverwege de jaren tachtig dood van de drukpers viel, onvindbaar sinds ik er de eerste bladzijden van gelezen had. Zelfs de titel en schrijfster ervan ontschieten me en toch komt de openingsalinea me duidelijk voor de geest. Ze beschrijft het ontwaken van de heldin en haar kritische blik in de spiegel: mooie benen die ze graag laat zien, al vindt ze zichzelf «best wel» feministisch in haar ambities, assertiviteit en vaste voornemen in het openbaar nooit een andere vrouw af te vallen.

Tweederangs romans zijn onbetaalbaar voor het terugvinden van een verloren tijdgeest, niet verduisterd door literaire verdiensten die een gooi doen naar de eeuwigheid. Opgesloten in hun eigen verleden walmt dat onverdund uit ze op zodra ze weer worden opengeslagen. Want zo was het in die jaren: een beetje feministe hoedde zich er wel voor de goede zaak te verzwakken door het publiekelijk met haar zuster oneens te zijn. Een gezamenlijk front moest pal staan tegen een machistische wereld en daarbij kwam openlijke onenigheid niet te pas.

Dat heeft de vrouwenbeweging geen goed gedaan. Wat in de jaren zestig nog een intergeslachtelijke overtuiging was, kon dankzij die zwijgplicht gekaapt worden door een geradicaliseerde voorhoede die binnen de eigen sekse niet hoefde te vrezen voor openlijk gemor. Zo schaarde het feminisme zich ogenschijnlijk eendrachtig onder extreme parolen waarover alleen binnenskamers wel eens twijfel opklonk.

En plotseling weet ik waarom ik tussen de stapels oude boeken vergeefs naar die verloren roman op zoek ging. Opnieuw is er een bevolkingsgroep die zich op grond van reële of ingebeelde zwakheid onthoudt van openlijke zelfkritiek. De Marokkaanse gemeenschap is te lauw in haar afkeer van Mohammed B. en te terughoudend in het berispen of zelfs aangeven van haar eigen ontsporende jongeren: daarover is vrijwel iedereen het eens. En in één moeite door ziet menigeen er de typische ondeugd van een achtergebleven, onverlichte cultuur in. Zelfkritiek – zo luidt het – is niet bon ton binnen de islam, en nog minder in de verre uithoeken van het Rif-gebergte.

En ook nu weer leidt het zwijgen onvermijdelijk tot een breed front van instemming of minstens de schijn ervan. Van de weeromstuit vindt het hele collectief zich terug onder zijn meest extreme noemer, of het dat nu wil of niet. Want de wet van het zwijgen geeft vrij spel aan de hardste schreeuwer en die is altijd de meest radicale.

In het feminisme van de jaren zeventig leidde dat nauwelijks tot geweld. Bij het ergste voorval sneuvelde de projector van een Noord-Hollandse cinéma d’art, die de even onbegrijpelijke als onwelgevallige film Pentimento wilde vertonen. Verder bleef het bij het nafluiten van een enkele voorbijganger en het verbale harassment van mannen die het feminisme, ironisch genoeg, nog het best gezind waren.

Inmiddels is er een moord gepleegd en is alles anders. Met één klap verschijnt de openlijke aarzeling tot Marokkaanse zelfkritiek als een schandaal. Het lijkt alsof de multiculturele gemakzucht van weleer plots van kleur verschoten is. Nog altijd meent ze dat zij «heel anders» zijn dan wij, maar op dit moment heeft ze daar wat minder waardering voor en eist aanpassing.

En «anders» zullen zij inderdaad wel zijn. Maar niet zo heel anders, behalve dan dat wat hun nu wordt verweten voor velen van ons indertijd voor een deugd doorging. Ten onrechte: er is geen excuus voor de omertà van het publieke zwijgen ter wille van het eigen gelid, toen niet en nu niet. Maar juist daarin tekent zich wederzijds een ongemakkelijke overeenkomst af en spiegelen wij ons aan ons verleden maar liever niet te zacht. Op de rommelzolder van de herinnering liggen ergens nog de boeken die als literatuur terecht vergeten zijn, en – onverwacht onthullend – ook weer niet.