Zwijgen, zelfmoord of waanzin

STEFAN HERTMANS
HET ZWIJGEN VAN DE TRAGEDIE. ESSAYS
De Bezige Bij, 304 blz., € 19,90

Halverwege het tweede boek van de Ilias staat de dichter op het punt een opsomming te geven van de Griekse strijdkrachten, maar hij vreest het onderwerp niet aan te kunnen: ‘Ik zou hun aantal niet kunnen weergeven en hen niet allemaal kunnen opnoemen, zelfs niet als ik tien tongen, tien monden, een onbreekbare stem en een bronzen borstkas had, tenzij de Olympische Muzen het mij zouden voorzeggen.’ Dit motief staat sinds jaar en dag bekend als de ‘Unsagbarheitstopos’: een dichter geeft uiting aan zijn onvermogen tot uiting. Het is niet verwonderlijk dat de topos vooral optreedt wanneer de auteur een taboe aanroert of zich gedwongen ziet iets te zeggen over principieel onzegbare onderwerpen, zoals de dood of de nabijheid van het goddelijke. Mystici zijn notoire stamelaars.

De afgelopen twee eeuwen heeft het motief een hoge vlucht genomen. Dat komt niet alleen door de verschrikkingen van Goelag en Auschwitz, die vele overlevenden met sprakeloosheid hebben geslagen, een sprakeloosheid die pas tijdens het spreken tot uitdrukking komt, maar ook door opmerkelijke ontwikkelingen in de filosofie, de taalkunde en de psychologie. Kant schoof een scherm van complexe cognitieve processen tussen de mens en het Ding an sich, Schopenhauer, Nietzsche en Freud ontdekten het onbewuste, De Saussure stelde vast dat het verband tussen taal en wereld arbitrair is, Marx liet zien dat de kapitalistische samenleving onvermijdelijk leidt tot vervreemding. De wereld zoals ze is blijkt ontoegankelijk te zijn, omdat we opgesloten zitten in een cocon van kunstmatige concepten. Tussen ons en de werkelijkheid gaapt een kloof. Alleen extreme ervaringen kunnen ervoor zorgen dat we contact maken met het fundamenteel Andere, maar omdat we op zo’n moment alle greep op onze individualiteit verliezen, is die ervaring principieel onbereikbaar voor de taal. Helaas zijn dergelijke ervaringen de enige die er nog echt toe doen. Ziedaar het probleem van de twintigste-eeuwse schrijver: datgene waarover geschreven moet worden is in diepste wezen onbeschrijflijk.

In de handen van honderden auteurs is dit thema een veelgevraagd modeartikel geworden, maar er zijn enkele bekende gevallen waarin de worsteling met het onzegbare de schrijver fataal is geworden. Friedrich Hölderlin trok zich halverwege zijn lange leven terug in een toren in Tübingen om voortaan nog slechts te zwijgen of hoogstens wat te mummelen. Rimbaud brak zijn bliksemcarrière in de literatuur af om wapenhandelaar te worden. Paul Celan rekte het Duits van zijn moeder en haar moordenaars tot de uiterste grenzen van het verstaanbare op, maar zag ten slotte geen andere uitweg dan in de Seine te springen. De teksten van Beckett werden steeds kaler en genadelozer, totdat er bijna niets overbleef. Datgene wat zij wilden en moesten zeggen liet zich niet uitspreken.

Stefan Hertmans (1951), die een omvangrijk oeuvre van proza, poëzie, toneel en essayistiek op zijn naam heeft staan, buigt zich in Het zwijgen van de tragedie over ‘de grens van wat gezegd kan worden in een literaire tekst, maar evenzeer over de vraag waarom sommige dichters in pijnlijk zwijgen, zelfmoord of waanzin zijn beland’. Vijf van de zeven stukken ontstonden in perioden waarin de auteur bezig was met het schrijven van theaterteksten over Jakob Lenz, Medea, Antigone en Hölderlins Empedokles. Het slotessay maakt aannemelijk dat de hedendaagse literatuur gebukt gaat onder een alles doordringende ironie die wezensvreemd is aan de existentiële inzet van zowel de Griekse tragedie als de grote romantisch-modernistische traditie die loopt van Hölderlin tot Beckett.

Een van de beste essays is opgezet als een brief aan Lord Chandos, een figuur uit een verhaal van Hugo von Hofmannsthal, die ergens zegt: ‘De abstracte woorden waarvan de tong zich toch van nature moet bedienen om een of ander oordeel kenbaar te maken, vielen in mijn mond in stukken uiteen als rottende paddestoelen.’ Hertmans reageert: ‘De woorden en de wereld sluiten niet op elkaar aan. Taal is voor sommige denkers en schrijvers een kwestie van gebruik en afspraak, meer niet. Ervaringen in het “reële” zijn van een andere orde, ze geven vaak de indruk heftiger, directer te zijn en aan de macht van de taal te ontsnappen. (…) Omdat taal niet op de reële ervaring aansluit, schept ze een eigen, al even radicale ervaring.’ De vervreemding die ontstaat uit de kloof tussen taal en wereld doet ons duizelen, maar raakt juist daardoor aan het reële: ‘We voelen in de zwevende, onwerkelijke kracht van taal hoezeer de ervaring ongrijpbaar is.’ Dat is een gruwelijke paradox: we hebben de taal nodig om het onzegbare te beleven. Pas het spreken stelt ons tot zwijgen in staat.

Ruim een derde van het boek wordt in beslag genomen door een verzameling ‘aantekeningen’ over Antigone, Oedipus’ dochter die, tegen het uitdrukkelijke verbod van haar oom Kreon in, het lijk van haar broer Polyneikes begroef en deze overtreding met de dood moest bekopen. Dat Hertmans niet de moeite heeft gedaan zijn gedachten te ordenen, is tot daar aan toe, erger is dat dit stuk stijf staat van de loze pretenties, met als dieptepunt een passage waarin de gekwelde schrijver met zijn gezin aan tafel zit, maar geen hap door zijn keel kan krijgen omdat hij vandaag nog geen tijd heeft gehad zich met Antigone bezig te houden: ‘Ik heb een gevangene in mijn kamer zitten. Omdat de dag zo druk en vol gebeurtenissen is geweest, heb ik geen tijd gehad om haar te voeden, haar gerust te stellen. (…) Ik kijk mijn verbaasde tafelgenoten niet aan en loop met gebogen rug de kamer uit.’

Het probleem met het Antigone-dagboek is dat Hertmans zich enerzijds voorstelt dat er zoiets zou bestaan als het ‘wezen’ van Antigone, een soort grondbetekenis van deze tragische figuur die door bronnenonderzoek achterhaald zou kunnen worden, terwijl hij zich anderzijds realiseert dat iedere tijd zijn eigen Antigone schept. Het merkwaardige is nu dat Hertmans weliswaar een poging doet de Griekse tekst van Sofokles te begrijpen maar niet op het idee komt moderne secundaire literatuur te raadplegen, noch over Sofokles, noch over de oorsprong van de Griekse tragedie als genre, noch over de mogelijke antropologische achtergronden van de mythe. In plaats daarvan grossiert hij in citaten uit tal van negentiende- en twintigste-eeuwse auteurs die misschien veel zinnigs te melden hebben over de taal, de ziel, de dood en het zwijgen, maar niet over de Antigone van Sofokles.

Treurig is Hertmans’ onwrikbare geloof in de freudiaanse en lacaniaanse psychoanalyse – waarvan we toch al heel lang weten dat er geen enkele empirische grond voor bestaat – dat hem verleidt tot enormiteiten als deze: ‘Het uitgestoken oog [van Oedipus] fungeert dan als symbool voor de gepenetreerde vagina.’ Of deze: de vrouw in de tragedie ‘opent de kloof waarvoor de man terugschrikt, de kloof waar dood en leven elkaar de hand reiken (en dit is niet zomaar de kloof van de semiotische nulgraad, zoals de psychologie ons heeft geleerd, het is de “afwezigheid van de fallus”, van de taal als hanteerbare potentie. Maar de kloof is wel degelijk ook iets, niet zomaar de afwezigheid van het mannelijk geslachtsdeel; ze vertegenwoordigt een andere wereldorde, waarvoor de patriarchale man terugschrikt – het is de onheilspellende plek waar zich de kloof in het leven, dat wil zeggen die van de eigen oorsprong en de oneindigheid van de dood, bevindt. De kloof toont de waarheid omtrent de onbegrijpelijkheid van het bestaan, daarom vormt ze een bedreiging voor de mannelijke taal van de macht. Dat maakt Antigone afschrikwekkend voor Kreon).’ Onleesbare nonsens, lijkt me. Net als passages waarin de krater van de Etna verschijnt: ‘de straal, het fallische, [komt] uit een hete opening voort, de kut van de aarde baart haar eigen fallus’; en: ‘[e]en mond die net zo goed een vurig aarsgat is, maar ook de wijdopengesperde bek van de mekkerende bok uit de dionysische lezing van de tragoedia/paroedia. Die laatste mond is uiteindelijk de mond waaruit de zin van het bestaan had moeten komen.’

Het is duidelijk dat we op zo’n manier niet veel dichter bij de ontraadseling van de wereld zullen komen. Zeker niet wanneer Hertmans, kennelijk om zijn niet-gymnasiaal geschoolde lezers te imponeren, Griekse woorden aanhaalt zonder ze te transcriberen (helaas fout geaccentueerd), niet bestaande Griekse woorden gebruikt en wel bestaande verkeerd vertaalt. Er was niets tegen geweest als Hertmans zich beperkt had tot romantische en modernistische interpretaties van de tragedies, en het is echt geen schande geen Grieks te kennen, maar wie schermt met kennis die hij niet heeft, maakt al gauw de indruk van een keizer zonder kleren.

Dat is jammer, omdat Hertmans in dit boek wel degelijk belangrijke onderwerpen aansnijdt en daarover ook buitengewoon interessante dingen heeft te zeggen. Het lezen van poëzie, schrijft hij, ‘begint pas na de stilzwijgende aanname dat woord en wereld iets raars met elkaar te maken hebben, dat het zin heeft iets te lezen dat als voornaamste taak heeft iets niet onder woorden te kunnen brengen’. Het bestuderen van deze ‘vreemde, uit woorden bestaande zwijgzaamheid’ vereist uiterste zorgvuldigheid, die Hertmans helaas niet heeft kunnen opbrengen.