Zwijnen

‘Zelfontplooiing’.

Dat was het woord dat in mijn familie rondzinderde.

Synoniemen – althans voor ons – waren ‘jezelf waarmaken’, ‘woekeren met je talenten’, ‘zelfrealisatie’.

Dus kregen we naast het gewone onderwijs: godsdienstles, muziekles (solfège, later zelf een instrument kiezen), toneelles en sport.

‘Waarom?’ vroeg ik.

‘Karaktervorming voor zelfontplooiing’, zei vader.

Moeten is een bijzonder woord. Een overdosis, dan werkt het averechts. Ik werd er immuun voor. Daarbij waren het de jaren zestig en zeventig. De tijdgeest met ‘vrijheid’ in de hand, streed een strijd die het makkelijk won tegen ‘moeten’. Wij provo’s en hippies moesten niks en weigerden ons door de rijstebrijberg te eten.

De etymologie van het werkwoord ‘zwijnen’ (geluk hebben) is mij onbekend. Maar ik zwijnde toch door alles heen. Als een varken in de modder dat net gered wordt van het vonnis van de slachter.

Ik was van de zesjes. Solidaire klasgenoten hielpen me met afkijken waarin ik een specialist was. Ik begrijp nu dat mijn ouders met zorg naar mijn corrupte constructie van beroerde karaktereigenschappen keken. De ene leugen hield de andere overeind.

Popmuziek en literatuur hielpen me overeind en, gek genoeg, ook de politiek. Geëngageerdheid, betrokkenheid zoals dat tegenwoordig heet, kan je leven veranderen. Je ziet sloebers, je verkeert onder sloebers, je ziet de sloebers in de wereld en je denkt: dit moet niet, hier moet ik iets aan doen. En opeens heb je de discipline die ontbrak, sta je vroeg op, ga je boeken bestuderen, en als je bevlogenheid dan ook nog aansluiting zoekt bij je verliefdheden zou je kunnen spreken van redding. Gerard Reve zei – en ik zeg het hem vaak na: ‘Ik volgde de Universiteit die Leven heet.’

De naar kadavers stinkende zinloosheid druipt van de muren als je er oog voor hebt

Maar op die Universiteit leer je mettertijd ook dat cynisme geen waardeloze levenshouding is, dat betrokkenheid in de meeste gevallen zinloos is, dat depressiviteit voor zover ze niet genetisch is de juiste uitkomst blijkt als je het leven op zijn merites beoordeelt. De naar kadavers stinkende zinloosheid druipt van de muren als je er oog voor hebt, en je moet je welbewust blind en doof houden om er niet aan ten onder te gaan. Dat is de reden waarom je het leven moet vieren. Vieren is: even niets met de werkelijkheid van doen hebben.

Ik heb het al vaker geschreven, maar ik voel me een afvallige. Niet van Het Geloof, maar van ‘geloof’. Je kunt niet zonder illusies leven en niet met. In mijn timmermansvoorschoot moeten als hamers en beitels vooronderstellingen, vertrouwen en wantrouwen zitten, want je moet constant iets afbreken en iets opbouwen – en je weet niet wat precies.

Vrienden van mij hebben een dochter die er ‘vandoor’ is met een ‘fanatieke islamiet’. Ze hopen dat mijn scheldkanonnades hun pijn wegschiet, maar ik haal mijn schouders op en zeg: ‘Het komt wel goed, of niet. Ik vond Sacha altijd een verstandige meid.’

‘Wat ben je mild geworden?’

Ik knik grimlachend. Ik doe alles grimlachend tegenwoordig.

‘Maar straks krijgt die Ibrahim ook nog invloed op Johan’, zegt de moeder.

‘Ach, dat is ook een verstandige jongen’, zeg ik. Johan is vijftien en houdt van rapmuziek waarin bitches voortdurend in hun pussies en titties geknepen worden en de wapens onder de banken van de Chevrolet verborgen liggen waar zich ook de drugs bevinden. Kan geen kwaad, denk ik. Als ik nu vijftien was, hield ik daar ook van.

De ouders geloven me niet.

Soms verlang ik naar de kleine corruptie van mijn puberteit. Dat langs de rand balanceren, soms er overheen gaan. De experimenten die je met jezelf uithaalt en die nodig zijn om op latere leeftijd die illusie te creëren die je nodig hebt om nog tot iets in staat te zijn.

En dan maar hopen dat je er doorheen zwijnt.