Zwindzucht

Schrijvers zijn vermommers, die niet alleen leentjebuur spelen in vreemde klerenkasten, maar zich ook hullen in andermans gedachten en gevoelens. Toon Tellegen is een meestervermommer, omdat hij zijn uitdossing veelal zo grotesk weet te maken dat hij nauwelijks meer herkenbaar is. Hij laat de wereld bestaan uit niet meer dan een bos vol dieren. Denken doen ze allemaal, maar de eeuwenoude afspraak dat de vos sluw is en de uil wijs, geldt hier niet: de potvis danst en de olifant zit op een boomtak thee te drinken.

In het ene boek geeft hij elk levend wezen een slurf, in het volgende is er juist maar één enkele olifant, wiens diepste wens het is een mens te zijn. De vreselijke schooljuffrouw krijgt zulke waanzinnige proporties dat haar leerlingen niet anders dan vermorzeld kunnen worden en naast de almacht van de vader kan de zoon alleen maar ineenkrimpen tot verwaarloosbare nietigheid.
Het spannende is dat deze verstopacties nooit helemaal afdoende zijn, zodat er langs de kieren van de verhalen toch voelens doorsijpelen over de ingewikkeldheid van het menselijk bestaan. En daar kan de lezer zich ondanks alle absurditeit door laten raken.
Ook in Tellegens nieuwste boek Dokter Deter is het al gauw duidelijk dat we hier niet met een doorsnee huisarts te maken hebben. Op een bord in de tuin staat: ‘Dokter Deter maakt alle mensen beter’ en zo is het ook. Keelontstekingen, zwerende vingers, bloedneuzen en steenpuisten, dokter draait er de hand niet voor om. Hij is een meester in hersenschuddingen die hij losschudt en in kisten in de kelder opbergt, maar ook met zwindzucht en rode schraag weet hij raad. Alleen over domheid en geluk gaat hij niet.
Zelf lijdt dokter aan drukte, want zijn patiënten zijn zeurende, zelfzuchtige monsters, die hem geen seconde rust gunnen. Het is alleen dankzij zijn brave knecht die goed is in warme kersentaart en vanillepudding en de baas met vaste hand in bed stopt, dat Deter overeind blijft. Tot dokter besluit dat het welletjes is, zijn praktijk de rug toekeert en de wereld in wandelt: 'Nergens heen.’
Het is onmiskenbaar dat de lezer op dat moment een 'echte Tellegen’ dichtslaat. Hij heeft veertig, veelal pointeloze verhaaltjes achter de rug, waarin wonderlijke, vaak grappige dingen gebeuren (de pianolerares die met haar vingers tussen de toetsen raakt). Hij heeft mooie zinnetjes gelezen als: 'Dokter Deter was heel goed in pijn.’ Zeker, er jubelt een leeuwerik hoog in de lucht en er wordt een keer onverwacht gedanst, door een echtpaar waarvan de man zojuist genezen is van woede. En tóch wil het maar geen echt 'mooie Tellegen’ worden. Dat komt doordat de vermomming deze keer gebrekkig is. De schrijver, die enige tijd geleden een punt zette achter zijn huisartsenpraktijk, valt waarschijnlijk te veel samen met zijn hoofdpersoon. Op de schitterende, maffe prenten van Gerda Dendooven loopt hij in doktersjas met kalend hoofd en brilletje tussen de groen uitgeslagen, verkreukelde patiënten rond als een cartoon van zichzelf. De vertekening en uitvergroting van de werkelijkheid resulteren deze keer in steeds meer van hetzelfde, in niet meer dan een trucje, want er valt niets te verbergen.