Show aart brouwer zw 02

Op 2 juni verloor De Groene Amsterdammer in Aart Brouwer een erudiete, tegendraadse en stilistisch begaafde redacteur. Een Renaissance Man. Attent, warm en zorgzaam. Een zeer gewaardeerd collega.

Hoe vaak de afgelopen maanden niet aan de redactietafel werd gezegd, toen we Aart al een tijdje moesten missen vanwege zijn ziekte: ‘Dit zou echt een stuk voor Aart zijn.’ Voor een buitenstaander zou het nog niet zo eenvoudig zijn de grote gemene deler van die stukken te benoemen, omdat Aarts expertise zowel naar de ontwikkelingen in de wereld – hij was jarenlang buitenlandredacteur –, de wetenschap, de filosofie als de literatuur uitwaaierde. Die brede achtergrond maakte dat hij zich in zijn diepzinnigheid altijd speels en eigenwijs kon tonen, of hij nu schreef over de ondergang van het kerngezin, de positie van sociaal-democratische partijen in Europa, de betekenis van Jean-Jacques Rousseau, de zwarte canon van ons verleden of de nieuwe roman van Michel Houellebecq.

Aart Brouwer, die afgelopen zondag onverwacht overleed, was een typische Groene-redacteur. Hij kon beeldende reportages schrijven en was een prima interviewer, maar op z’n best was hij achter z’n bureau, lezend, denkend en schrijvend. Aart was een klassieke intellectueel, in de zin dat hij over filosofie en grote vraagstukken las in vier talen, maar ook in de zin dat hij graag tegendraads was. Je kon hem tegenkomen bij de kassa van boekhandel Athenaeum waar hij dan stond met een stapel boeken van Balzac, in het originele Frans. Of met van die slappe, goedkope paperbacks van duizend bladzijdes van obscure filosofen. Boeken waarvan je je altijd afvroeg wie die in godsnaam nog zou lezen – Aart dus, in zijn smaak en zijn kennis een Renaissance Man, iemand die alles van Alexis de Tocqueville wist en alles van Google, alles van Salman Rushdie had gelezen en alle films van Michael Caine had gezien – waar hij, als je even niet oppaste, zo uit zijn hoofd een mini-hoorcollege over opzette, met die zware, brommende stem van hem.

Het was overigens gekmakend als Aart een nieuw boek in zijn handen had, omdat voorspelbaar was wat hij ging doen: hij tilde het op, keek er eens goed naar, bladerde er wat in en dan knak!, zoals je een kip de nek omdraait, knakte hij het boek zo hard en zo ver open dat de rug voorgoed gebroken was. Ook daarin was Aart een klassieke intellectueel, totaal niet geïnteresseerd in objecten om het uiterlijk ervan (hij nam ooit rustig plaats aan de redactietafel met het prijsje nog op zijn nieuwe overhemd), alleen om de inhoud ervan.

Adrianus Arnoldus Peter Brouwer werd in 1957 in Rotterdam geboren. Hij was enig kind van ouders die beiden leraar waren op een middelbare school. Op het Lorentz Lyceum in Eindhoven was hij al volkomen zichzelf zoals maar weinig jongens van veertien, vijftien dat zijn. Een Britse aristocraat van de geest – later werd hij overtuigd francofoon –, verdwaald op het Brabantse platteland, met alle archaïsche hebbelijkheden van dien. Hij had toen al een verbluffende eruditie. In zijn kamer ontbraken de posters en platen van bands als Santana en Deep Purple die toen populair waren. Er stond een stokoude koffergrammofoon, omringd door stapels pinkdikke bakelieten 78-toerenschijven van vóór de Tweede Wereldoorlog. Charleston, jazz uit de roaring twenties en Chopin en Schubert van lang vergeten Russische pianisten – dat was de muziek die hij draaide. In die tijd al had hij hang-ups – Napoleon, Bismarck – en citeerde hij hele lappen van de poëzie van Poesjkin, voordat medeleerlingen hun eerste Nederlandse roman hadden gelezen.

Hij ging in Leiden geschiedenis en filosofie studeren. Stichtte, naar eigen zeggen, bijna een zeilschool in Turkije en besloot toch maar de journalistiek in te gaan. In de jaren tachtig werkte hij als freelancer voor regionale dagbladen en in 1994 werd hij redacteur van De Groene Amsterdammer. Zijn voorbeelden waren, wederom volgens hemzelf, Herodotus, George Orwell en Ryszard Kapuscinski. Behalve intelligent en tegendraads was Aart zelf ook een stilist. Zijn verhalen waren altijd geestig en met flair geschreven.

Aart drukte niet alleen bijna twintig jaar zijn stempel op het blad met zijn stukken, hij kon in de persoonlijke omgang onverwacht attent, en warm, uit de hoek komen. Nieuwe redacteuren schreef hij op hun eerste werkdag een hartelijke welkomstmail. Door jonge redacteuren werd hij half schertsend ‘papa Aart’ genoemd, omdat hij zich bevoogdend en zorgzaam tegelijk over het welzijn van stagiairs en jonge medewerkers ontfermde. Natuurlijk had ook zijn gestalte daarmee te maken: groot en imposant, met een diep timbre. Wakend over de broekies.

Op sommige terreinen droeg zijn interesse over de grenzen van het intellectuele heen. Militaire geschiedenis was een van de vele onderwerpen waar Aart op een erudiete en toegankelijke manier over kon schrijven. En niet alleen dat. Uren, dagen, maanden heeft hij thuis doorgebracht aan tafels vol tinnen soldaatjes waarmee hij veldslagen naspeelde. Hoe nauwkeurig en creatief hij daarbij te werk ging bleek uit de beschrijvingen die hij vrienden via de mail toestuurde.

Nadat hij weer eens uitvoerig had bericht over de Napoleontische tijd (‘geldt onder wargamers als het koningsnummer vanwege de kleurrijke uniformen, de gigantische veldslagen en de tactisch interessante legeronderdelen’) met bijbehorende huzaren te paard (‘met getrokken sabel, allemaal in een andere pose en op paarden met wapperende manen – ze lijken zo uit een schilderij gegaloppeerd’) stelde hij, met zijn gevoel voor zelfspot, de vraag: ‘Of ik word seniel, óf ik heb een nieuwe lotsbestemming gevonden. Draaf ik erg door?’

Hij gaf zelf het antwoord, waarin hij in een paar woorden een karakterschets gaf en de manier verwoordde waarop hij in de wereld stond. ‘Wat me zo aanspreekt in dit spul is de ouderwetse liefde voor detail, voor de mensen, de landschappen, de levende natuur, de liefde voor het leven en voor alle dingen zeg maar. En wargamers zijn net als rokers! Ze doen geen vlieg kwaad, spreken met twee woorden en zijn altijd in voor een beschaafd gesprek.’